Ze moeten wel klein zijn, want ze produceren een hoog geluid. Ik hoor wat waarschijnlijk zal heten de zwapiep, de wiepit, de pwietpwiet, tjietjoep en de prrrrt. Ze communiceren vrijelijk en interraciaal met elkaar, dwars door de babylonische spraakverwarring heen. Geen van hen laat een poging tot contact onverlet om er ongezouten op te reageren. Voor me zie ik een fragment van een uit de oevers getreden beekje. Links een heuvelachtig boslandschap, rechts een loo dat aan een meer grenst. Achter de beek recht voor mij ligt een boomrijke heuvel, met daar boven op een man van middelbare leeftijd, gehuld in een lange sportbroek, een sweater met daarover een wit shirt en een te ver over het hoofd getrokken witte sportband.

Het is een sportieve man, want hij maakt vechtende bewegingen in het luchtledige. Dan wil je wel erg graag aan je beweging komen. Na een minuut of 5 krijgt de sportman notie van mijn voyeurisme. Ik zie aan zijn vertwijfelde blik dat hij niet weet of hij moet zwaaien naar een vreemde meekijker, hoewel het in dergelijke recreatieve setting op de een of andere manier toch gewoontegoed is. Ook ik twijfel, en doe het niet. Ik ben toch vooral het type dat liever handelingsloos toekijkt, dan de interactie opzoekt. Wat de sportmans motief is om het niet te doen is vermoedelijk van vergelijkbare strekking. Kort daarna verdwijnt Sportman achter de berg en ik heb nooit meer iets van hem vernomen.

Niet veel later. Ik hoor voetstappen vanuit westelijke richting, het is een stevige pas. Als ik mijn hoofd 45 graden naar links draai, zie ik een hardlopende man, wederom van middelbare leeftijd. En met hardlopen bedoel ik niet joggen, maar hard lopen. Als hij nadert, stijgt de spanning met elke stap die hij zet, eindigend in een klassieke anticlimax: het gezicht van de hardloper heb ik niet gezien, maar die moet op net zo een ongemakkelijke grimas hebben gestaan als de mijne.

Langs de beek aan overkant rijdt een mountainbiker, hij stevent af of de heuvel van Sportman. Het koste hem veel moeite op de heuvel te komen en viert dat door even stil te staan bij het indrukwekkende panorama. Geen contact… Nog iets later: het Balorige Blowkwartet, het Verliefde Stelletje, de Besnorde Herdershondbaas en een trein. Alle keren geen contact…

Tijdens het eerste echte intermezzo tussen de stroom passerende recreanten, hoor ik weer het vogelorkest. De twomp en het fwietertje hebben zich bij het ensemble gevoegd. De tjietjoep heeft kennelijk tijdens het passantentijdperk een negatieve sociale interactie ervaren en heeft een ander collectief opgezocht om mee te socializen.

Mijn gedachten dwalen langzaam af: Die vogels, die lullen maar wat af. Waar hebben ze het toch over? En weten ze wel tegen wie ze het hebben? Zouden ze daar over nadenken? Zouden ze überhaupt nadenken? Hoe zou het zijn als wij weldenkende mensen meer zoals de vogels waren? Ik weet het niet zeker, maar ik kan mij het volgende voorstellen: Sportman veert in de verte verbaasd op, wanneer ik van respectievelijke afstand uit volle borst herhaaldelijk ‘goedemorgen!’ Naar hem schreeuw. Hardloop man zet een daadwerkelijke sprint in na mijn als uiterst intimiderend ervaren begroetingskreet. Een van de heuvel rollende, daarna woedende Mountainbiker, steekt zijn middelvinger op en loopt met de fiets aan de hand de heuvel op. Vanaf de top van de berg nogmaals de middelvinger. Het Blowkwartet giechelt in canon en roept mij wat semi-vriendelijks na. Het Verliefde Stelletje is nu een ruziënd stel, omdat de jongen het niet kon laten om mij vanaf de overkant eveneens semi-vriendelijke leuzen toe te snauwen. De herdershond van de Besnorde man zou mij doen verhuizen naar een andere plek, na een korte negatieve sociale interactie, alwaar ik in totale reddeloosheid sta te vloeken tegen een langs denderende trein. Ik mijzelf weer tot rust.

Er trippelt een klein knuffelig wit hondje voor mij langs, maakt een rondje om het bankje en blijft vriendelijk starend recht voor me staan. Ik wend mij tot de Gezette Oudere en eveneens vriendelijk stralende eigenares: ‘Goedendag’. ‘Goedemiddag!’. ‘Je kunt beter aan de overkant zitten, daar schijnt de zon!’, is haar goed bedoelde advies. Na een even oppervlakkig als interessant kwebbeltje, besluit ik haar advies in de wind te slaan en mijn reis anderszins voort te zetten. Dit was het. Het cirkeltje is rond, het klopt weer. Tijd om terug te gaan. Op de terugweg groet ik de Ontspanningsfietser, pieper ik wat naar de Buggybaby en roep ik iets dat lijkt op ‘hooieuh’ naar het Derde Wiel naast een saai stelletje, waar een ‘yo’ of louter fronsende wenkbrauwen eveneens toepasselijk geweest waren. Ik knik nog eens vriendelijk naar de Gezette Oudere hondjes bazin, die ik andermaal passeer, en loop in tevreden mars naar huis.

Hoewel ik mijn Facebook-account lang geleden heb verwijderd (voor zover dat mogelijk is),heb ik mij door deze ochtend laten inspireren om zelfs een stap verder te gaan en een Twitter-account aan te maken. Ik telde 13 minuten tot het moment dat ik volledig gedesillusioneerd Twitter, Internet Explorer en mijn Desktop afsloot om vervolgens midden in de kippenren te genieten van het gezellige gekeuvel van Teuntje, Kip-Jong-Il, Stalin en Geert, al heb ik geen idee wat ze zeggen en tegen wie ze het hebben.