In het kasteel van koning Knir woonden naast de koning zelf, zijn vrouw de koningin, tientallen lakeien, een handvol beulen, en een legioen aan ridders. En, natuurlijk, woonde er een prinses.

De prinses was beeldschoon en was dol op sieraden van goud en zilver. De prinses stond sinds haar heugenis onder het strenge beschermende bewind van de koning. Hij vertelde haar constant wat ze wel en niet moest doen. Zo mocht ze het landgoed niet af om de grote boze onbeschermde wereld in te gaan, zo bleef zij gekooid tussen de praalloze grauwe muren van het kasteel. En al zeker mocht zij niet op zoek naar een knappe prins op een wit paard, niemand is te vertrouwen daar buiten! Om ervoor te zorgen dat ze niets tekort kwam had de koning al zijn lakeien de opdracht gegeven om haar te voorzien in al haar wensen.
Met een oogwenk of een knip in haar vingers kon ze de lakeien laten doen wat ze wilde: eten en drinken brengen, haar voeten verzorgen, een liedje spelen, een dansje doen, ze had het allemaal. En ze was altijd veilig binnen de muren van het kasteel, daar mocht zij zich nimmer zorgen over te maken.

Naarmate de jaren vorderden begon de prinses te lijden onder het benauwende bewind van de koning. Zijn goedbedoelde adviezen waren maar nodeloos gezeur en misplaatste verstrengelende maatregelen. En ze wilde steeds liever de kasteelmuren uit, de wijde wereld in, waar bloemen en watervallen zijn, en prinsen, vele prinsen op witte paarden. Bovendien was ze het slaafse gedrag van de lakeien zat. Uit verveling liet zij de lakeien al urenlang bokjespringen en op 1 been hinkend brood en soep brengen.
Op een goede dag is de prinses het zat en ze vertrekt, zonder iemand in te lichten, Met de noorderzon.

Toen de koning ontdekte dat zijn dochter verdwenen was, riep hij direct al zijn lakeien bij zich: ‘Mijn mooie dochter is verdwenen. Alleen de mooiste schat kan haar terug naar het kasteel leiden. Legendes spreken van een parelketting, met parels zo groot als duiveneieren, voor het laatst gezien in het hof van Cucaburra, ver achter het bos. Wie van jullie neemt de nobele taak op zich om deze schat te halen, zodat de prinses kan retourneren?’.

Alle lakeien bleven stil…ze hadden eigenlijk allemaal stiekem een hekel aan de prinses: Dat verwende nest dat hen altijd voor paal zette! Ze misbruikte hen, was onaardig en bekommerde zich nooit om hen.

‘Dan gaan jullie allemaal voor de leeuwen!’. Riep de koning. En zo geschiedde het dat de beulen alle lakeien 1 voor 1 in de leeuwenkuil gooiden.

Na deze vermoeiende dag, was de koning toe aan een beetje opbeurend vertier. Hij riep de nar bij zich.

De nar – Epi – beperkt zijn program tot het spelen met een jojo, weliswaar op naar eigen inzicht indrukwekkende wijze. Hij had een prachtige houten, handbeschilderde jojo, geerft van zijn vader. Wanneer hij de tijd had om flink op dreef te komen in zijn spel, kleurde de jojo langzaamaan parelwit.

De koning is van dit domme spel, noch de schoonheid van de jojo – welke nog niet de tijd had gekregen om zijn witte kleur te verkrijgen – allerminst onder de indruk. Sterker nog: De nar hangt het zwaard van Damocles boven het hoofd, als hij niet iets beters verzint!

Maar de nar kan helemaal niets anders. Hij kent niet eens een schuine grap.

‘Voor de leeuwen met hem!’, riep de koning opnieuw.

‘Wacht!’, riep de nar. De nar had lucht gekregen van de vermissing van de prinses en de executie van de lakeien. Hij vroeg om een laatste kans om zijn nut te bewijzen: ‘Ik zal je de mooiste schat van de wereld brengen, en de prinses zal terug keren. Alstublieft, spaar mij!’
De koning boog naar voren en plukte bedenkelijk aan zijn baard. De nar leek behoorlijk toegewijd en de koning besloot hem een kans te geven.
De koning accepteerde zijn aanbod en gebood de nar af te reizen naar het hof van Cucaburra. Maar…voegde hij er aan toe…je hebt 48 uur om de klus te klaren, anders gaat je kop er af!

En zo gaat de nar op pad.

De wandeling is lang en voert de knir door het grote bos. 24 uur lang liep hij onafgebroken. Dan ziet hij tussen de laatste bomen van het bos een enorme open grasweide. En aan de horizon een torenhoge muur. De muur strekt van west naar oost en is hoger dan de kasteelmuur. Het lange zandpad dat door de grasweide meandert eindigt bij een reuzachtige poort in de muur. De poort staat op een kier en door die opening van de poort ziet hij Sint Jacobsstralen naar buiten vallen. Het kon niet anders dan dat achter deze muren het hof van Cucaburra lag!
Zo nu en dan, sporadisch, liep een man het hof in en niet veel later het hof weer uit. Het waren korte bezoeken, maar brachten de bezoekers met een vergulde grimas weer naar buiten. Daar moest echt iets prachtigs te zien zijn!
De nar voelt op zijn beurt een enorme aantrekkingskracht tot de poortopening. Maar naarmate hij de deur nadert, valt de deur steeds iets verder dicht. Wanneer hij pal voor de deur staat valt deze helemaal dicht. Hij loopt terug en probeert het opnieuw. En opnieuw. En opnieuw. Maar iedere keer weer, valt de deur dicht zodra de poort in handbereik is.

De nar is getergd om het hof te betreden, wetende dat zijn kop op het spel staat. Wanneer hij voor de zoveelste keer de poort stapvoets nadert, hoort hij een zacht en gemeen gegrinnik.

Boven op de poort zat een gemeen gniffelende gnoom, die enorm leek te genieten van zijn machtspositie als portier: ‘Dus de lolbroek wil naar binnen? Gna…gna…dat zal je nooit lukken!’, grinnikte de gnoom.
De nar besefte dat dit nog wel eens een lastige klus kon gaan worden, maar hij was nog steeds getergd. Nogmaals…zijn leven hing er van af!
Eerst probeerde de nar de deur te openen door te doen wat hij altijd doet: Hij zou de gnoom wel imponeren met zijn jojo-spel. Hij trok de houten jojo uit zijn jaszak en begon te spelen. Maar hoe erg hij zijn best ook deed, en hoe naarstig hij ook de beste trucs uit de kast haalde, de deur bleef gesloten en de gnoom gniffelde.
Toen probeerde hij met de gnoom te redeneren. Hij probeerde hem te overtuigen: de koning wil zijn dochter terug, hij wil de schat, want anders volgt onthoofding, etcetera. Maar, de deur bleef gesloten.
Vervolgens gooide de nar het over een andere boeg: Hij begon zachtjes beleefd te kloppen op de poort. En harder … En harder…en uiteindelijk, uit frustratie, beukte hij hard op de deur in. Nog steeds bleef de poort gesloten.
Zijn frustratie werd gevoed door onmacht en resulteerde in grof geweld: Met een dikke boomtak, en een lange aanloop…wist de nar de poortdeur te breken!
Nog voor hij besefte dat hij op de drempel van het hof van cucaburra stond, verblindden de helderste lichtstralen die hij ooit zag hem, en hij viel achterover in het gras…

Veel later werd hij wakker. Hij trok zichzelf omhoog en zag direct dat de poort weer in zijn geheel hersteld was.
Verbouwereerd ging hij op respectievelijke afstand zitten en zette alles op een rijtje.
‘Die andere mensen mogen naar binnen en buiten, altijd. Ik, daarentegen, mag niet naar binnen als ik wil.’ Epi was nimmer zo ontredderd geweest.

Hij besloot 1 van de voorbijgangers te raadplegen: ‘Waarde heer, wat is de reden van u toegezegde intrede van het hof?’
De man reageert op zijn beurt met een vraag: ‘Waarom wilt u naar binnen?’ Opnieuw legde de nar het hele verhaal uit: De koning, de prinses, de schat en de onthoofding.
De voorbijganger vertelt de nar dat hijzelf gewoonweg nieuwsgierig is. Nieuwsgierigheid drijft hem, pure nieuwsgierigheid.

Dit dreef de nar op zijn beurt tot wanhoop…

Na de nacht wakker gelegen te hebben van het denken, gaf de nar het op.
De deur zal nooit voor hem opengaan, hij zal nooit de mooiste schat ter wereld verkrijgen en aan de koning kunnen geven. En hij zal uiteindelijk zijn leven moeten geven, omdat hij faalde.
Hij moest accepteren dat hij nooit zal krijgen wat hij wil.

Maar toch, kon hij het hof maar niet achterlaten, zonder het gezien te hebben.

Hij probeerde het nog eens, dit keer mee lopend in de stroming mensen die vrijelijk in en uit lopen. Sterker nog, hij verzamelde zoveel mogelijk mensen, goede, mooie, goedwillende, nieuwsgierige mensen. En mengde zich in de stoet, om zo min mogelijk op te vallen.

Zij naderden de poort stap voor stap, en…De poort bleef open!
De nar liep naar binnen en trof daar op het kikkergroene grasveld, tussen miljoenen bloemen en tientallen watervallen, een prachtige jonge vrouw aan, op een enorme troon. Ze had een prachtige bos blonde krullen. Zo blond dat zij lichtstralen produceerden die, met de poort open, tot buiten het hof reikten. Ze droeg een prachtige parelketting.
De nar herkende haar: Het is de prinses…

De nar was duidelijk geïmponeerd door haar schoonheid. Al stotterend vroeg de nar haar hoe het haar hier verging.
‘Beste goedhartige nar…’, sprak de prinses, ‘…Aanschouw mijn weelde hier. Ik heb alles wat ik wil: het hof voorziet in bloemen en watervallen, er is geen nare koning die mij vertelt wat te doen, geen slaafse lakeien die mij voornamelijk in de weg zouden lopen en er lopen knappe prinsen het hof in en uit bij de vleet. Bovendien heb ik hier mooiste sieraad ter wereld gevonden. Is hij niet prachtig?! Ja beste nar…Het vergaat mij goed!’
De nar had haar niet eens durven vragen of ze mee terug ging, terug naar het kasteel, ze zou ongetwijfeld weigeren. Hij liet zelfs zijn imponerende jojo spel achterwege. De nar zweeg terneergeslagen, en draaide zich om. Hij besefte: De prinses had hier alles wat zij ooit wensen kon. Alles wat zij in het kasteel van haar vader, de koning, miste. De nar verliet het hof en begon te dolen, in het bos.

De tijd die de koning hem gegeven had was inmiddels verstreken. Weldra zouden de ridders hem komen halen, om hem voor de ogen van de koning te laten onthoofden. Maar zo snel zouden zij hem niet vinden. Jaren doolde hij tussen het hof en het kasteel, tussen hoop en wanhoop, tussen leven en dood.
En de prinses…

De jaren vorderden ook voor haar. En hoewel zij bloemen en watervallen had, en zij kon doen wat zij wilde, werd zij op den duur ongelukkig. De knappe prinsen die onophoudelijk langs bleven komen, deden alles om haar te imponeren en haar liefde voor hen te winnen. Zij waren verworden tot lakeien. En per slot van rekening was de prinses nog steeds gekooid tussen grauwe muren.

Op een dag schrok zij wakker van een doffe klap. Ze keek op en zag de voorheen nog gniffelende gnoom achter de poortdeur liggen, doorkliefd met een zwaard. Haar mond viel open van verbazing toen zij een bekend gezicht zag: het was een van de ridders uit het kasteel van de koning. Even voelde de prinses angst. Angst dat zij terug zou moeten keren naar het kasteel. Maar de ridder was goedgezind. Hij had de andere ridders uit het oog verloren en was verdwaald geraakt in het bos. Toen hij de prinses zag, in al haar schoonheid, omringd door bloemen en watervallen, met haar mooie parelketting van parels ter grote van duiveneieren, bemind door velen, werd hij opslag verliefd.
De prinses was aanvankelijk argwanend jegens de ridder, maar al rad raakte zij overtuigd van zijn goede wil. ‘Je moet hier weg’, zei hij haar. ‘Ze zullen je vroeg of laat vinden!’. De prinses aarzelde niet, ze was het legioen gelegenheids prinsen en de toch weer dichterbij komende grauwe muren zat. Zij sprong bij de ridder achter op zijn paard en zij gingen, over de uitgestrekte grasweide het bos in. Aldaar gooide de prinses al haar sieraden, inclusief de parelketting af. Ze had nu alles wat ze nodig had: ‘We hebben liefde en elkaar, dat is meer dan sieraden en een ketting van parelen waard.’

De nar kon het ronddolen in limbo niet meer aan. Hij besloot terug te gaan naar het kasteel en sneuvelbereid de dood tegemoet te zien.

De koningin was een bittere verzuurde vrouw geworden, met weinig levenslust over. Ze was alleen op het kasteel met de beulen. De koning was namelijk met de ridders meegegaan op jacht naar de nar, om er zeker van te zijn dat hij gevonden en voor zijn ogen onthoofd zou worden.
Er wordt op de kasteeldeur geklopt. Een versleten en vermagerde man met lange baard staat voor haar. ‘Wie bent u?’ Vraagt de koningin. ‘Ik ben de nar en kom mijn hoofd offeren, omdat ik gefaald heb de schat noch de prinses terug te brengen.’
De koningin geloofde hem niet en vroeg hem te bewijzen dat hij de nar is. De enige manier om dat te doen was door zijn houten jojo te bespelen. De nar besefte dat dit wel eens de laatste keer kon zijn dat hij zijn jojospel kon tonen, en dat hij niets te verliezen had. Hij gooide zijn hele hart en ziel in het spel. Hij speelde, hij raakte op dreef, de jojo verkleurde parelwit, en…de koningin vond het fantastisch! Zij veerde op en begon te klappen. En de nar klapte mee. Ze begon te zingen, en de nar zong mee. Ze begon te dansen en de nar danste mee. De koningin had zich in tijden niet zo levendig gevoeld!

Koning Knir nadert op dat moment de kasteelpoort en ziet lichtstralen onder de poort doorstromen. Hij stormt met zijn ridders naar binnen: ‘Wat is hier in hemelsnaam gaande?! ‘Vrouw, je klapt, danst en zingt…vanwaar die bewonderingswaardige levensvreugd?’, vraagt hij.
‘Het is de nar…’, zegt de koningin. ‘…Hij is zo moedig geweest terug te keren, en hij draagt mij met alles wat hij heeft een warm hart toe. Hij gaf mij bovendien deze parelketting, is hij niet prachtig?’
De ogen van de koningin fonkelde. Ze was in tijden niet zo gelukkig geweest.

De koning besefte dat alles wat hij zocht al die tijd naast hem zat. Hij had er alleen geen aandacht voor. De nar had dat wel. En het enige wat hij hoefde te doen was spelen. Spelen met de parelwitte erfenis van zijn vader.
En de prinses: Zij leefde nog lang en gelukkig met de ridder wie zij trouwde tot prins, die tot in de eeuwigheid met haar een eindeloos verstrekkende omgeving vol met bloemen en watervallen betrad. En daar kwam geen parelwit aan te pas.