De oorlog is voorbij. De zoldaten krijgen hun natje en droogje mee in hun knapzak, en beginnen de lange voetwandeling terug nar huis.

Zo ook een onbekende soldaat. Het front was mijlenver verwijdert van waar zijn huis stond. Zodoende moest hij dagen door de polder lopen voordat hij zijn gezin weer kon omarmen. Na bijna een dag lopen, ziet de soldaat voor het eerst een huis. En als hij dichterbij komt, nog 1, en nog 1! Het bleek een klein dorpje.

In eerste instantie leek het een doodgewoon boerendorpje, echter was er iets vreemd aan de hand: Alle mensen die hij zag lopen droegen rode kleren. En…ze praatten niet met elkaar, maar gebruikte alleen maar handgebaren en andere signalen om te communiceren. En nu hij eens goed de tuinen in keek, zag hij dat alle tuinen vol stonden met tomaten planten. Niets anders dan tomatenplanten, met enorme glimmende rode tomaten er aan. De soldaat wuifde vriendelijk naar ieder mens dat hij zag en wandelde verder.

Nog geen halve kilometer verder kwam hij weer een groepje huizen tegen. En net als bij het eerste dorp was hier iets vreemds aan de hand. De mensen droegen allen gele kleren. Deze mensen praatten wel met elkaar, maar…alleen fluisterend. En hun tuinen stonden vol met aardappelplanten. Zonder al te veel vragen hierbij te stellen, fluistert de soldaat elke tegemoetkomen een goede dag toe en wandelt verder.

Totdat hij weer en groep huizen tegen komt. Dit keer dragen alle mensen groene kleren, staan hun tuinen vol met preiplanten, en zingen de mensen elkaar een goede dag toe. De soldaat doet zijn best om eenieder een goede dag toe te zingen en zet zijn reis voort.

Maar nog voor hij het dorp verlaten heeft, merkt de soldaat dat hij nog helemaal niets gegeten heeft. Hij heeft honger. Maar als hij om zich heen kijkt ziet hij geen winkel, geen markt, niets waar hij aan eten kan komen. Het enige wat hij ziet is een warmwaterbron op een groot plein, midden in het dorp. Een kind in gele kleding loopt naar de soldaat en fluistert hem toe: ‘Als je eten zoekt, dat is hier niet’. ‘Inderdaaahaaaad!’, vult een kind in groene kleding al zingend aan: ‘…Alleeeeeeeen in de tuinen van menseeeeen staat eten, maarrrr dat is van hun zelf!’ Het derde kind loopt knikkend naar de soldaat en maakt een teleurgesteld gebaar.

De soldaat is verbaasd hoe het er aan toe gaat in dit dorp. Nu hij er over nadenkt, alle mensen zagen er wat magertjes uit! De soldaat kan het niet verder aanzien en heeft een idee:

Hij gaat naast de warmwaterbron staan en begint zó hard te praten dat alle mensen uit het dorp, gekleed in rood, geel en groen, hem horen en nieuwsgierig naar het plein trekken om te kijken wat er aan de hand is. ‘Ik heb een geheim dat jullie alleen eten kan brengen! zoveel als jullie willen!’. De meute heeft al gauw zijn aandacht: ‘Nou vertel dan! Wat ga je doen?’. De soldaat vertelt over een Gelukssteen, die wanneer, waar en hoe vaak je maar wilt een geweldige soep kan maken. ‘Willen jullie dat ik de Gelukssteen gebruik en jullie voorzie van eindeloos veel heerlijke soep?’. De meute hoeft er niet over na te denken en juichen hem in koor toe. ‘Goed…’, zegt de soldaat, en uit zijn knapzak pakt de soldaat vervolgens een enorme steen, die hij langzaam in de warmwaterbron laat zakken. ‘Wat ik nu nodig heb is 3 dingen’. Hij zingt naar het kind in de groene kleren: ‘Zouhouuuu jij uit jouw tuin zoveeeeeeel prei als dat je kunt dragen kunnen halen?’. Vervolgens fluistert hij het kind in de gele kleren toe: ‘Ga naar je tuin en haal zoveel mogelijk aardappelen als dat je kunt dragen.’. Naar het kind in de rode kleren volstaat een knikkende hoofdbeweging om hem de tomaten uit zijn tuin te doen halen. Als de kinderen terug zijn gooit de soldaat de prei, de aardappelen en de tomaten bij elkaar in de warmwaterbron en begint te roeren. ‘Gaat er nog iets gebeuren?!’, beginnen de mensen zich ongeduldig af te vragen. ‘Nog heel even’, zegt de soldaat, en ‘ziezo…klaar!’. Als de soldaat er om vraagt, gaan alle mensen direct thuis een kommetje halen, zodat zij kunnen genieten van de soep.

‘Deze soep is voortreffelijk!’, fluisteren mensen in het geel naar de andere mensen. ‘Inderdaaaaad’, zingen de mensen in groen. En alle mensen in het rood staan uiterst tevreden naar andere mensen te knikken. Terwijl de deorpelingen staan te smikkelen van de soep, maakt de soldaat zich op om te vertrekken. ‘Pssst!’, fluistert iemand hem toe: ‘hoe heb je dit nu gedaan?’. De soldaat antwoord: ‘De Gelukssteen zorgt voor geluk, jullie moeten er goed voor zorgen, met z’n allen!’. De soldaat stapt en loopt het dorp uit.

Maar voor hij de grenzen van het dorp oversteekt en zijn weg verder vervolgt, pakt hij een willekeurige steen van de grond en stopt die in zijn knapzak.