VII. THE RETURN

Matheus keert terug naar de rand van het dal. Een half jaar was verstreken.het had hetzelfde als voorheen kunnen zijn. Maar het zou ook anders kunnen worden. Die 6 maanden waren niet voor niets. Ze hadden hem iets geleerd.

Evelyne gaat mee. Ze geeft er haar onsterfelijkheid voor. Ze volgt op dezelfde manier als die waarop hij naar het dal terug reisde: op blind vertrouwen.

Zoals wel vaker, ging zij weer haar boom uit. Maar dit keer om hen te lokken, noch te verleiden. Dit keer was het anders, dat voelde ze: Zij zou nooit meer terugkeren naar de boom. Ze zou nooit meer teruggeblazen worden naar de onderwereld. Zij had haar schoonheid niet meer nodig.

Toen hij aan eenmaal de rand van de richel stond, met evelyn, was het inderdaad anders. Hij voelde zich nooit eerder zo aangepast.
Aangepast aan de natuur.
Hij was geen rare. Geen uitwas.
Nee, hij had het nu juist.

Zo zag hij de schoonheid van iedere boom.
Maar hij zag ook de schoonheid van iedere dorre, holle stam. Elke zielloze huls. Omdat zij ooit de cocon waren van een inmiddels ontsnapte ziel.

Hij zet zijn tweede been op de grond en draait zijn hoofd naar rechts.
En hij zag.
Hij zag een ziel.
Hij zag een ziel, naakt als nimmer tevoren.