III. THE MENTOR

Prota:
​Juist de nuchterheid, de rode gloed, die bewijst dat we van hetzelfde bloed zijn, heeft hem doen accepteren dat ik er niet meer ben. Maar ik ben er wel, en ik zie hem, en ik hoor hem, en ik stuur hem. Ik had hem een bijna onmogelijke opgave bezorgd, waar hij vermoedelijk iets of iemand niet dankbaar voor is geweest.
Of hij geslaagd is? Ben je succesvol als je je dagen slijt aan de rand van een afgrond, balancerend op 1 been?
Het hangt er denk ik van af of je er gelukkig van wordt. Ik denk niet dat hij gelukkig is. Voor mij is hij nog altijd een sprekend hart, dat is in mijn ogen toch het grootste compliment dat je kunt krijgen. Maar hij is meer dan dat. Zijn onbaatzuchtige zorg voor mij en mijn weduwe maakt hem een held. Maar het maakt hem niet gelukkig.
Ik heb de kracht om hem rechtvaardigheid te bieden. Ik kan hem geven wat hij gegeven heeft, om de balans te herstellen, zodat hij met beide benen op de grond staat. Ik kan hem gelukkig maken, maar dan moet hij eerst mijn bestaan erkennen. En iemand anders moet hem van zijn nuchterheid beroven, dat kan ik niet.

De terminale:
Ieder heeft een motief om zich hier beneden op te sluiten, ver verwijderd van de boze bovenwereld. Toch lijkt geen van allen hier vol overtuiging en sneuvelbereidheid zijn lot te omarmen.
Ik ben stervende. Dat ben ik boven en dat ben ik beneden. Boven ontkom ik niet aan die veroordeling, het gros van de bemoeizuchtige medemens herinnert mij continu aan mijn hulpeloosheid, dan niet hopeloosheid. En boven wordt mijn waardigheid verfoeid, want mijn zelfredzaamheid wordt ontzien.

Ik ben in gevecht, en ik zal die strijd voeren, ook al is de winnaar bekend.
Ik wil de strijd verliezen, want ik weiger het strijdveld te zijn van de bemoeizuchtige ego-strelers, die zichzelf mijn sympathisanten noemen.
Laat de wervelwind mij meenemen. Laat de tsunami mij vervoeren. Laat de steen aan mijn enkels mij naar beneden trekken. Ik heb geen medelijden nodig. Ik heb geen hoop nodig. Ik heb geen wijze raad nodig. Ik wil acceptatie. Laat mij accepteren dat ik onvoldaan sterf.

Beneden is eenieder dermate gepreoccupeerd met zichzelf, dat ik van hen geen medeleven hoef te verwachten. Op de boomknuffelaar na. God, wat weet zij het goed.
Wat is het uberhaupt dat haar hier heeft gebracht?
Is zij ongelukkig?
Is zij hopeloos?
Is ze sneuvelbereid?
Is zij terminaal?
Ik denk het niet…dan zou zij namelijk geen zier om een ander geven.
Is het niet arrogant om te denken dat je de meest hopeloos en suïcidale drenkelingen van de bovenwereld levenshoop kunt schenken?
Dat soort wezens is verantwoordelijk voor de overbezetting hier. Dat soort wezens wilde ik juist van af. Laat mij toch sterven in rust.