II. THE UNKNOWN

Evelyn:
Vertoornend is de oneindige cyclus waarin ik mij seizoenen lang op en neer laat slingeren tussen het aardse en het schimmenrijk. Ik begrijp dat ik moet boeten voor wat ik gedaan heb, maar wat is het punt? Moet dit een les zijn, waar ik lering uit moet trekken? Om mij terug te laten keren als halfgodin in een oogstrelende boom, lijkt een misplaatst karma. Dit alles is vooral een bevredigende status quo, ware het niet dat ik met toenemende frequentie terug mijn boom in wordt geblazen door de winden, iedere keer wanneer ik mijn cocon verlaat om mijn sterfelijkheid te accepteren. Het geeft je uiteraard een bevreemdend gevoel, als je ongewild abrupt uit de eindige en onbevredigende realiteit wordt geplukt, om teruggeworpen te worden naar het hof van Eden. Wat moet ik dan? Hier staan en mooi wezen? Hoe gerieft mij dat, als er niemand is waarmee ik het kan delen?

Vooral in de zomer laat ik mij verleiden door prachtige mannen die tijdens hun boswandeling tegen mijn schoonheid aanlopen. Ik geniet ervan, ik houd van ze. Ik houd zoveel van ze, dat ik met hen mee wil. Zelfs als dat betekent dat ik mijn onsterfelijkheid verlies. Is dat geen nobele reden? Noem mij een romantischer gebaar dan iemand je nabijheid geven in ruil voor je eigen sterfelijkheid? Daar zouden stervelingen een moord voor doen.

Matheus:
​In mijn hoofd ben ik gevangen in toerekenbaarheid.
Binnen mijn huid ben ik verwachtingsvrij.
Je kunt in mijn ogen zien dat ik wordt weggezogen in een wereld waar ik ontoerekeningsvatbaar mag zijn.
Als je weet wat ik wil, voedt je mij niet.
Wanneer je bij mij aanklopt, verdedig ik mijn grond.
Ook al zie je dat ik bloed, blijf bij mij uit de buurt.
Laat mijn hoofd de hemel voor ontoerekeningsvatbaarheid zijn.
Let alsjeblieft niet op mij.
Voedt mij niet.
Help mij niet.
Geef niet om mij.
En houdt vooral niet van mij.
Laat me zijn.
Laat mijn hoofd mijn ziekbed zijn.

​Ze snappen het allemaal niet. Ze lijken hier wel weg te willen, terug naar het aardse. Waarom komen ze hier dan? Als ik dan toch een muur om mij heen ging bouwen, dan waren deze idioten wel de specie van de eerste steen. Elk is op zijn verdraaide manier nog afschuwelijker dan de ander.
Neem nou Eran, met de gezichtsexpressie van een om voedsel smekende labrador. Met zijn wenkbrauwen steevast in het midden opgetrokken – om empathie te veinzen – en zijn altijd subtiel neergekromde mondhoeken – om compassie te vragen.  Hij poneert zichzelf pertinent en prominent in het centrum van al het gezelschap, zodat het treffen van een plakpartner onvermijdelijk wordt. Alsof hij baadt in een welige vijver vol goudklompen op zoek naar eeuwige rijkdom. Maar bij deze affectiestrijder zijn de goudklompen neerslachtige – zo niet suïcidale – mensen, en het eeuwige geluk is de moederliefde die hij nooit gehad heeft.
Uiteraard is er ook iemand aanwezig die daar dan op even slagvaardige als voorspelbare wijze misbruik van weet te maken, en uiteindelijk met de goudklompen rond de kamer danst. Van Philotes mag het duidelijk zijn wat hij hier doet, maar wat Apate nou niet naar de zin gaat in de bovenwereld is mij nog een raadsel. Een knagend geweten? Daar kan ik mee leven.
Zoals in elk gemêleerd gezelschap, is ook hier Kratos die tot zijn eigen ongenoegen alles wat hij liefheeft consequent tot gort slaat. Een begrijpelijk motief om jezelf van het aardse leven te ontdoen en je te mengen in een verre van liefdesvol gezelschap, een macaber zelfverdedigingsmechanisme overigens.
Sommigen weten niet eens waarom ze hier zijn, het had nou eenmaal zo moeten zijn. Alsof de natuur – of God als je wilt – de oplossing voor een intrapersoonlijk beletsel – of elke andere vruchteloze kwantum fluctuatie – zou vinden in het ongegrond voeden van het probleem zelf, daarbij het leidend voorwerp in onwetendheid houdend. Deze mensen wachten hier tot zij een ons wegen, letterlijk.
Dan is het volgens mij een beter idee om hier beneden de uren weg te dromen in diepe slaap. Met hem zou ik kunnen lezen en schrijven, als hij niet al de tijd sliep.
Misschien logisch, maar voor mij opvallend is dat de terminale veel begrip geniet van de anderen hier. Ikzelf zou – in zijn schoenen – een muur gaan bouwen, met een sluitend plafond, hermetisch afgesloten, om het tergende proces te versnellen. Welke bizarre kracht houdt zo iemand in leven?
De enige aanwezige die mij dermate intrigeert dat ik er mogelijkerwijs tijd en energie aan zou besteden, is zij, die tegen de hemeltergende boom zit. Een ouder vrouwtje, ogenschijnlijk blind, maar daar klaagt zij niet over. De anderen struinen regelmatig met de ziel onder de arm, intens hopeloos, naar haar toe in de hoop verlossend advies te ontvangen. Het heeft tot nog toe echter voor geen van hen soelaas geboden, daar allen naar eigen zeggen met een kluitje het riet in gestuurd werden.
Doorgaans is de wijze onnodig cryptisch, dat heb ik nooit gesnapt. Maar ach…ik ben hier nu, ik heb niet echt iets te verliezen, of wel?

‘Waarom ben je hier?’, vraag ik haar.
‘Omdat jij ziet dat ik hier ben’, is het onlogische, suggestieve en gevoelsmatig intimiderend antwoord, zoals het een wijze betaamd.
‘Als ik jou hier nu niet zou zien zitten, stond ik tegen een boom te praten, niet? Is dat het…? Ik moet tegen bomen praten om het geluk in het bovenaardse weer terug te vinden?’.
Ze zwijgt…en blijft zwijgen vanaf dat punt, wat ik ook zeg of vraag. Dus ik zwijg ook…
Fraai, nu sta ik sprakeloos tegen een enorme boom aan te kijken.
De boom is het enige leven dat door het dak van de onderwereld prijkt, en zich verbindt met de aardse wereld. Ook in de diepste krochten van de onderwereld is zuurstof nodig.
Zonder enige verwachtingen of hoop had ik een half uur op de maan staan schieten. Het was te proberen, maar hier ga ik mijn poging staken. Ik draai mij om en aanschouw de menigte: de affectiestrijder, de misleider, de agressieveling, de kwantum fluctuatie, de slaper en de terminaal zieke…