I. THE KNOWN

De eerste lentevonk overschaduwt een miljoen zomerse zonnestralen.
Vol gebloesemde flora moeten de eerste pekkende specht ontzien.
De vroegste groene knop, gaat vooraf aan de magie van het kleurvolle woud.
In de onderbuik fladderende vlinders imiteren slechts Evelyn’s bekoorlijke esthetiek.

Prota:
Het is lente…ze is veilig in haar cocon, de boom. Ze kan weer pronken. Dat is alles wat ze tot nog toe heeft gedaan…pronken. Alsof de in de herfst gevallen bladeren de dalen kunnen bedekken. Want laten we wel wezen, dat is toch haar roeping: De dalen beschermen.
Toegegeven, het is haar niet makkelijk gemaakt toen ze haar oneigenlijke onsterfelijkheid ontving met haar verbanning naar de boom, van waaruit zij nu leeft. Als haar ijdelheid haar niet zo in de weg zou staan, had ze begrepen dat zij dat lieveheersbeestje niet laakbaar vermoord heeft. Het was een ongeluk, dat louter in letterlijke zin bloed aan Evelyn’s handen deed kleven. Ze kon niet weten dat het diertje zich verstopte op de steel van de narcis die ze plukte.
Evelyn:
​Vele stervelingen zouden een moord doen om zo gelukkig te worden als ik… De meeste stervelingen moorden niet. De meeste stervelingen worden nooit zo gelukkig als ik.
In de tijd voor mijn ontbering had ik mijn schoonheid al mee, nu ben ik nog mooier. Bovendien ben ik eeuwig jong, bevroren in de bloei van mijn leven. Tot in de eeuwigheid mag ik het leven en de rusteloze werkzaamheid die in de natuur heerst aanschouwen. Alsof dat niet genoeg is, mag ik toch zeggen dat ik immer teder en lieflijk ben geweest.

In principe houd ik van mensen, al ik schep geen behagen in de nabijheid van menselijke constructen en van de gedruis makende dagelijkse bezigheden van dezen. Ze zullen daarom denken dat ik mij schuw terugtrek in de eenzaamheid van het woud. Maar dat is niet het enige.
De boetedoening die op mijn schouders rust, is het beschermen van de dalen. Wat het ook betekenen mag, ik beschouw het eerder als een genot dan als een kwelling.

Ik zie de noodzaak er echter niet van in. Namelijk, het enige levende wezen dat zich in de buurt van de dalen bevindt, is een goedgeklede zonderling, die ik alleen kan omschrijven als de belichaming van onaangepastheid, die van het menselijk falen. Hij is het tegendeel van wet en orde. Een marginaal, een anarchist. Ik waan mij daarom niet de illusie dat de aarde stopt met draaien, op een van mijn spaarvolle onbewaakte ogenblikken.
Zijn verschijningen lijken in frequentie toe te nemen, naarmate ik zijn aanwezigheid negeer. Soms vraag ik mij waarlijk af wie er zal wenen wanneer hij door een onverhoopte onheilspellende gebeurtenis prompt in de onderwereld zou belanden. Uit het fysieke zicht…uit mijn fysieke gezicht. Nu ik er over nadenk: Zou zijn presentie aanschouwelijk zijn voor anderen? En is hij zich bewust van mijn wakend oog?
Matheus:
Was ik niet de mythische held die de schone nimf uit de verwoestende grot vol stalactieten en stalagmieten van de onderwereld redde? Dan ben ik de August, welke op onbeholpen en plompe wijze de porseleinen kast in dendert als een olifant.
Was ik niet de intelligente, creatieve  en hoge verwachting wekkende artiest die de complexiteit van het leven wist te reduceren tot een eenduidige gevisualiseerd kompres? Dan ben ik de megalomane wedergeboorte van Napoleon.
Was ik niet die dappere krijger die de macht van de natuurwetten tartte, door onversaagd op een been op de rand van het dal het oneindige vergezicht te aanschouwen, alsof het ware een uitbreiding van het blauwe uitspansel? Dan ben ik het bloedend lam dat verscholen in het struikgewas zijn aanstaande dood verbeidt.
Was ik niet de prominente sterveling, die bij malheur zou worden opgevangen door behoedende engelen? Dan ben ik de nul.
Was ik niet die door de zon gestuurde knappe jonge prins in prachtige kledij uit een andere wereld? Dan ben ik een made.
Hield ze dan niet van mij? Dan ben ik haar niet waard.

​Ze had mij niet hoeven bedriegen om mij dat duidelijk te maken, toch? Als dat zo was, had zij toch zeker Adonis verkozen voor haar overspel? Als ik er goed over nadenk, was ik nooit een opmerkzaam persoon, daarom verbaast het mij niets. Waarschijnlijk ben IK het die deze dociele ervaring heeft afgedwongen met mijn even ontembare als onverklaarbare zucht naar zelfsturing, zij hielp mij. Zij was bekend met mijn onvermogen om het spel van genegenheid te spelen. Daarom heeft ze gelijk: Ik ben geen nimf waard.

​Ik wil niet eens de moeite nemen een muur om mij heen bouwen, en beloop liever de neerwaartse wenteltrap richting de onderwereld vol stalactieten en stalagmieten. Denk er maar over na…ik zal toch niet de enige verdwaalde hopeloze ziel zijn die zich vol overgave laat afzakken naar het schimmenrijk? Bovendien, vroeg of laat zal desolatie binnen je eigen kloppend karkas aan je ziel vreten. Als geen nimf mij wil, wil ik geen nimf. Maar dat betekent niet dat ik niemand wil.
Hades verwelkomt mij.