De wildeman en de lori

Door zijn lange haren voelde hij niet de adem in zijn nek. Door zijn dikke vacht voelde hij niet de koude wind, noch een warme zucht. Zijn ogen konden sneeuw doen smelten en stoom doen bevriezen. De wildeman had geen reden om te vrezen
Hij flirtte met de beer en dronk water met de buffels. Hij brulde naar de zwanen en jaagde op de herten. De wildeman werd gevreesd om zijn geluid. Maar bovenal bewonderd om zijn moed.
De leeuwen streelden zijn manen. De slangen meden hem. De vinken luisterden naar hem. De bomen beschermde hem.

Zij was een vogel, maar klein van stuk. Zij was overal. Op het water, in de boom, in de lucht.
Haar ogen zagen alles, niets dat haar ontging. De lori was mooier dan een regenboog en kwetterde naar hartelust. De dingen die zij zag waren niet fraai. En de dingen die zij zei evenmin. Wanneer je in het water keek, kon je haar zien. Daar hoog in de lucht, te zien als een regenboog op de vlucht.

De wildeman zat voorovergebogen aan de oever te smullen van het water van de zwanen, toen de lori op zijn schouder zetelde, en ronduit kwetterde over wat zij zag.
‘Dus jij bent de wildeman, zonder vrees, geprezen om zijn moed’
‘Die het water van de zwanen drinkt’
‘Die de harten van de herten sneller doet kloppen’
‘De wildeman die doet zoals het hem gerieft’

Haar adem blies door zijn lange haren, als zij op zijn schouder zat. Haar misplaatste moed prijkte door zijn dikke vacht en de wildeman vergat te drinken. En zijn hart ging sneller kloppen.
Een warme zucht spleet zijn manen en de zon brandde zijn huid. Het gekwetter van de lori overstemde zijn gebrul, en hij hoorde fraai gezang. Haar kleuren waren zo fel dat hij zijn zicht verloor. Nu zag hij slechts een vonk in de duisternis. Als aangeschoten wild vluchtte de wildeman in blinde paniek de boom.
Want zijn manen waren zo even ontboezemd en hadden zijn nek onthuld. Zijn gebrul was zo even zijn moed ontstegen. Zijn ogen waren zo even overschenen door de schoonheid van het licht. Zo even was het de warmte die hij moest vrezen.

Maar de lori was overal. In het water, in de lucht, in de boom. En zij zag alles, en kwetterde naar hartelust over wat zij zag. Wat zij zei was niet fraai, maar haar geluid was als engelenzang. Vluchten had geen zin, want de lori heeft je schuilplaats al gezien.
‘Dus jij bent de wildeman met manen om zijn naakte huid te dekken’
‘Met een dikke vacht om warmte noch kou te vatten’
‘Met ogen die kunnen dooien en vriezen, zoals het hem gerieft’
‘En met gebrul dat zijn moed kan overstemmen’
De wildeman strijkt zijn manen met zijn handpalm en zegt: ‘Met deze manen ben ik geboren, laat hen mij versieren’. Hij streelt zijn vacht en zegt: ‘Met deze vacht ben ik geboren, laat hem mij beschermen’. Hij kijkt de lori vurig aan een brult luidkeels: ‘Zodanig ben ik geboren, opdat ik zal leven zoals het mij gerieft’. De wildeman vervolgt: ‘Ga nu, en laat mij zijn zoals ik geboren ben’.

De lori is geenszins onder de indruk van de wildemans verdediging en zij ging niet weg. Zoals zij onverstoord alles ziet en ongebreideld alles kwettert over wat zij ziet, zo doet zij alles wat haar hart gerieft. Zonder scrupules pikt zij de manen uit zijn nek en de vacht van zijn huid. Zes dagen en zeven nachten plukt zij de wildeman kaal. Zijn manen waren ontboezemd en zijn nek onthuld. Er was geen haar meer over en de warme zon brandde op zijn huid.
De wildeman kijkt de lori vurig aan en brult:
‘Ik zal leven zoals het mij gerieft!’.
‘Ga nu en laat mij zijn zoals ik geboren ben!’

Maar de lori bleef.
‘Voel je dan niet de warmte van de zon in je nek en daar waar je manen groeiden?’
‘Zie je door je vuur doorlopen ogen dan niet de schoonheid van mijn veren?’
‘Zie je dan niet dat je gebrul misplaatste moed is?’
‘Zie je dan niet wat je werkelijke vrees is?’

De wildeman voelde de warme zon in zijn nek en daar waar zijn manen groeiden.
Zijn ogen doofden en glinsterden door de schoonheid van haar veren.
De wildeman zei niets.
Maar wist wat hij werkelijk vreesde.
‘Zeg mij hoe te baden in de zon, en ik zal de wolken smelten’
‘Zeg mij hoe te genieten van de regenboog, en ik zal hem meer kleur geven’
‘Zeg mij hoe te fluisteren, en ik zal zingen’
‘Zeg mij wat ik moet doen, en ik zal het overtreffen’

Hij staarde eindeloos in de zon. Kwamen er wolken, dan deed hij hen smelten. De zon brandde fier in zijn nek en daar waar zijn manen groeiden. De zon brandde op het water waar de zwanen zwommen. De zon brandde op de dorrende bladeren van de dorstige bomen. En op de valende kleurrijke veren van de lori. De wildeman lokt de lori, die zich vervolgens op zijn schouder zetelt.
‘Ik keek in de zon en smolt de wolken. Ik voelde de warmte in mijn nek en waar mijn manen groeiden. Is dit wat je gerieft?’
‘De zwanen branden hun vliezen, de bomen verliezen hun bladeren, en mijn vacht…mijn vacht vervaalt. Dus, neen! Dit is niet zoals ik het mij gerieft!’, kwettert de lori. En zij fladderde terug de kale boom in.

‘Wacht!’, roept de wildeman.
‘Ik zal je geven wat je gerieft. Ik zal de eindeloos in de zon kijken, maar de wolken verwelkomen. Ik zal de kleuren van de regenboog tellen, en hen vermeerderen.’
En zo deed hij. Hij keek in de zon. Hij verwelkomde de wolken. Hij telde de kleiren van de regenboog en vermeerderde hen. De lucht vulde zich met kleuren, het was een prachtig aangezicht. Zo mooi, dat hij er eindeloos naar bleef kijken, tot in lengte van dagen.
Plots hoort hij een kras gezang: ‘Je keek in de zon. Je verwelkomde de wolken. Je telde de kleuren van de regenboog en vermeerderde hen. Nu kijk je tot in lengte der dagen naar de regenboog in de lucht. En niet naar mijn vacht. Dus, neen! Dit is niet zoals het mij gerieft!’. Met die woorden fladderde de lori de diepe duisternis van het diepe bos in.

‘Maar wacht!’, roept de wildeman.
‘Ik zal je nu echt geven hoe het je gerieft, dat beloof ik!’
‘Laat mij voor je zingen!’
De wildeman schraapte zijn keel en bracht vol overtuiging prachtige verzen.
Hij bracht een eerste vers, over hoe hij in de zon keek en de wolken deed smelten. Over hoe hij zijn nek en daar waar zijn manen groeiden liet verwarmen door de zon. Over hoe hij de vliezen van de zwanen verbrandde en de bladeren van de bomen verdorde. Over hoe hij de kleuren van haar vacht deed valen. Hij bracht zodoende een vers over hoe haar haar schoonheid deed verwelken.
Hij bracht een tweede vers, over hoe hij in de zon keek en de wolken verwelkomde. Over hoe hij de kleuren van de regenboog telde en hen vermeerderde. Over hoe hij tot in lengte van dagen naar de regenboog keek. Hij bracht zodoende een vers over hoe hij haar schoonheid deed verwelken.

Maar van de lori was geen schijn te bekennen. Zij was er wel, maar hij zag haar niet. Zij fladderde recht boven hem. Recht boven het water van de oever waaraan hij zijn serenade presenteerde. En de wildeman zong. En hij zong harder en harder. De wildeman zong zo hard dat hij brulde.
De lori steeg op, maakte rechtsomkeert en verdween in de diepe duisternis van het bos.

Dagen verstreken, weken verstreken, en de wildeman kon enkel radeloos gissen naar waar de lori was gebleven. Desolaat doolde hij door de duisternis van het bos. Zijn haren groeiden tot over zijn nek en daar waar zijn manen groeiden. De zon verschool zich achter de bladeren van de bomen. Zijn ogen vuurden rood en hij brulde kras en onafgebroken verzen over hoe hij haar schoonheid had doen verwelken.
De beer had hij in dagen niet meer gezien.
De buffels hadden hem de rug toegekeerd.
De zwanen staken hun nek in het koele water.
De herten vluchtten voor zijn gebrul.
Het was koud. Het was donker.
En de wildeman was bang.

Hij besefte dat zingen geen zin had. Hij besefte dat zoeken geen zin had. Hij besefte dat rennen geen zin had. Zijn moed stroopte langs zijn harige benen de ondergrond in. Nog voor hij knielend ineen zakte in een getoornde bessenstruik, slaakte hij een laatste brul. De koude grond drukte door zijn vacht. Hij sloot zijn ogen en gaf zich over aan de duistere nacht.
De wildeman verloor zijn kracht.

En toen hij daar lag, de wildeman. Met haren in zijn nek en daar waar zijn manen groeiden, voelde hij de koelte van de grond. Met zijn ogen dicht, zag hij enkel de kleurrijke duisternis alom. Toen hij daar lag, de wildeman, fluisterde hij zachtjes: ‘Lori, ik vrees dat ik je nodig heb’.

Uit de duisternis stiefelde de beer stiefelde voorzichtig naar hem toe: ‘Had ik maar haren in mijn nek zoals jij, en had ik maar manen zoals jij’
En de buffels omringde hem en zeiden: ‘Waren wij maar sterk zoals jij, en waren wij maar snel zoals jij’
De zwanen klommen uit het meer en zeiden hem: ‘hadden wij maar een muil zoals jij, en konden wij maar brullen zoals jij’
De herten verzamelden zich op gerenommeerde afstand van hem en zeiden hem: ‘Hadden wij maar moed zoals jij, en hoefden wij niet te vluchten zoals jij’

En daar lag hij, de wildeman, temidden van de beer, de buffels, de zwanen en de herten. Met haren in zijn nek daar waar zijn manen groeiden. Met zijn ogen dicht, waar zijn tranen door lekten. Hij hief zijn rechterhand om zijn tranen de dempen en voelde tegen de rug van zijn hand een zachte dons.
De veder was warmer dan alles wat hij ooit voelde.
De wildeman opende zijn ogen en zag alle kleuren van de regenboog.
De kleuren waren feller dan de kleuren die hij ooit zag.
En het fluisterende gezang vanuit de bessenstruik was fraaier dan hij ooit hoorde.

Het was koud.
Het was donker.
Het was stil.
Maar de wildeman vreesde niets.