Narcissus

Ik ben altijd een onzeker, dik en – in mijn puberjaren – bepukkeld jongetje geweest. Op een onduidbaar moment veranderde dat: Ik realiseerde mij dat als ik mijzelf maar overtuigend genoeg presenteerde, ik alles kon krijgen wat ik wilde.

Zo kwam ik aan mijn eerste vriendin: petieterig, rank, met grote kraakheldere blauwe ogen en stijl lang haar. Ik wilde haar, dus ik kreeg haar. Jarenlang was ik koning ter rijk. Maar toen begon het ‘gezeur’, zal ik maar even zeggen. Ik doel hier op verwijten in de trant van ‘Jij doet altijd dit, jij doet altijd dat!’, ‘Jij bent altijd zus, en jij bent altijd zo!’, afgeroomd met een ‘Kijk eens naar jezelf!’.

Dat wilde ik niet, dus keerde ik mijn petieterige, ranke, blauw-geoogde en goudgelokte nimf de rug toe en wuifde haar met de achterkant van mijn hand vaarwel.

Mijn tweede vriendin was een iets langere, evenwel ranke, blauwogige nimf met gouden krullen. Ik wilde haar, dus ik kreeg haar. Maar het duurde niet lang voordat het ‘gezeur’ kwam: ‘Jij doet altijd dit, jij doet altijd dat!’, ‘Jij bent altijd zus, en jij bent altijd zo!’, en ‘Kijk eens naar jezelf!’.
Dat wilde ik niet, dus keerde ik mijn langere, ranke, blauwogige nimf met gouden krullen de rug toe en wuifde haar met de achterkant van mijn hand vaarwel.

Toen kwam mijn derde vriendin: Een middellange, rondborstige nimf met betoverende grasgroene ogen en rode pijpenkrullen. Vanaf de eerste dag, nog voor ik haar volle bloeddoorlopen rode lippen kuste, begon het ‘gezeur’: ‘Jij doet altijd dit, jij doet altijd dat!’, ‘Jij bent altijd zus, en jij bent altijd zo!’, en vooral ‘Kijk eens naar jezelf!’.

Dat wilde ik niet. Maar zij was zo betoverend mooi, sensueel en overtuigd van zichzelf dat ik haar niet kon weigeren.
Zeven maanden later – afgelopen weekend – kwam het gezeur tot een climax, waarbij wij elkaar kokend van woede en frustratie eenzaamheid toewensten, afgerond met een ‘Jij bent gewoon een narcist’, als ultiem verwijt jegens mij. ‘Weet jij wel wat een narcist precies is?’, vraag ik. ‘Nee, jij?’, antwoord zij. Ik moest haar het antwoord schuldig blijven, waarop ik etymolisch onderzoek heb gedaan naar de term narcist, als laatste strohalm om onze relatie te redden. Zo kwam ik bij de volgende welbekende Griekse mythe:

Op de hemeltergende berg Olympus regeert Zeus over de wereld en al zijn Goden en stervelingen met zijn donderkeil, aegis en adelaar aan zijn zij. Zijn vrouw Hera is de Godin van het huwelijk, en daarmee trouwheid troef. Maar zo trouw als dat Hera is, zo onbetrouwbaar is Zeus. Zeus stond bekend om zijn veelvuldige escapades met nimfen van lichte zeden.

Op een dag vangt Hera stiekem gefluister tussen Zeus en een bergnimf op, vermoedende dat zij aanstonds zinnelijke liefde zouden bedrijven. Zij volgt Zeus op gerenommeerde afstand de berg op, alwaar hij zijn bergnimf zou wederzien. In de verte ziet zij de bergnimf onder een boom lustig wachten op haar minnaar. Dit lijkt het moment voor Hera om haar man te confronteren met zijn clandestiene zedeloosheid. Maar als zij daadwerkelijk aanstalten maakt om naar hem toe te snellen, duikt er plots een petieterige ranke, blauwogige bosnimf met gouden krullen voor haar op. De nimf begint onophoudelijk te praten…daar stond Echo bekend om. Ondanks naarstige pogingen van Hera, blijkt Echo onomzeilbaar, en Zeus en zijn minnares ontsnappen aan de horizon. Dit maakt Hera dermate woedend dat zij uit rancune Echo vervloekt: Zij zou nimmer meer kunnen praten, louter de laatste woorden van haar gesprekspartner kunnen herhalen.

Echo’s zielenvreugd neemt af en haar eenzaamheid en wanhoop neemt toe, totdat zij midden in het bos een prachtige jongeman ontmoet. Hij heeft prachtig halflang donker golvend haar, grote bruine doordringende ogen, een sterke kaaklijn, ivoren hals en een atletisch postuur. Vol zelfovertuiging struint hij – met zijn linkerhand door het haar strijkend – door het bos, op zoek naar wellustige nimfen, die zijn liefde zouden bekoren. Narcissus leefde voor de jacht – de vrouwenjacht dan wel te verstaan – om deze vrouwen vervolgens de rug toe te keren en met de achterkant van zijn hand vaarwel te wuiven. Echo is gebrand zijn aandacht te vangen, maar kan niet spreken, zolang hij Narcissus niets zegt. Wanneer Narcissus geritsel uit de bosjes hoort, roept hij ‘Is daar iemand aanwezig?. ‘…Aanwezig’, antwoord Echo. Na een moeizame ketting van woordenwisselingen stelt Narcissus voor: ‘Laten we elkaar ontmoeten!’. En Echo antwoord ‘…ontmoeten!’. Al rad zien zij elkaar en kijken elkaar recht in de ogen. Hij is prachtig: Zijn halflange golvende donkere haren, zijn doordringende bruine ogen, zijn sterke kaaklijn, zijn ivoren hals en zijn atletisch lichaam. Ze naderen elkaar aanvankelijk stapvoets, maar hoe dichter zij bij elkaar komen, des te hoger wordt hun tred. Langzaamaan beginnen zij te rennen. Wanner zij nog slechts op luttele meters van elkaar verwijderd zijn spreidt Echo haar armen om Narcissus te omarmen, en Narcissus…Draait zich om, keert kaar de rug toe en wuift haar met de achterkant van zijn hand vaarwel. Hij verdwijnt in de onzichtbare diepte van het bos.

Echo heeft nu al haar hoop op geluk verloren. Ze huilt zeven dagen en 6 nachten lang onafgebroken. Ze trekt zich terug, isoleert zichzelf en zwelgt in eenzaamheid in een grot. Daar verdorren en vergrijzen haar krullen, haar ogen vergrauwen en een bed van donkere groeven zeten zich eronder. Haar huid verlept en verdort en haar ooit zo betoverende lichaam degenereert eerst tot een levenloze zak botten, om vervolgens geheel op te gaan in de grond. Het enige dat bleef was haar stem, de Echo.
Narcissus slentert onverminderd zelfverzekerd – met zijn linkerhand door zijn haar strijkend – voort door het bos, opdat hij zoveel mogelijk nimfen het hart zou bekoren, om deze vervolgens even hard weer te breken. Zo deed hij bij velen nimfen, alsook Echo. Maar het was een kwestie van tijd dat hij de verkeerde zou ontmoeten.

Zij is geen nimf, maar een Godin. En anders dan een nimf heeft een Godin het recht zich zelfovertuigend te presenteren, daar zij onsterfelijk is. En deze Godin is niet zomaar een Godin. Het is de Godin van de liefde, van de vruchtbaarheid, van de seksualiteit en van de macht. Aphrodite had gehoord van de onweerstaanbare Narcissus, en hoe hij vrouwenharten bekoorde om hen vervolgens te breken. Zij kon niet geloven dat er een man – half-God of niet – op de aarde zou leven die haar schoonheid kon afwijzen, en besloot hem op te zoeken. Al gauw vindt zij hem midden in het bos, met de linkerhand door het haar strijkend, en hun ogen vinden elkaar. Hij is nog mooier dan haar verteld was. Zijn halflange donkere golvende manen, zijn doordringende bruine ogen, zijn sterke kaaklijn, zijn ivoren hals en zijn sterke atletisch postuur. En zij… Zij is adembenemend mooi, met haar ranke rondborstige lijf, haar grasgroene ogen, haar vuurrode pijpenkrullen en haar bloeddoorlopen volle lippen. Zo betoverend mooi, sensueel en seksueel had hij een vrouw nog nooit gezien. Ze konden elkaar niet weerstaan en liepen aanvankelijk stapvoets naar elkaar toe. Hun tred nam toe, zand stoof op, vogels kozen het luchtruim, gronddieren het hazenpad, de wind viel stil en de zon brak door. Op luttele meters afstand van Narcissus opent Aphrodite haar armen om Narcissus innig te omhelzen, en Narcissus…draait zich om, keert haar de rug toe en wuift haar met de achterkant van zijn hand vaarwel.

Nimmer had sterveling noch God haar zo pijn gedaan. Hoe durfde hij haar – de Godin van de liefde, de vruchtbaarheid, de seksualiteit en de macht – af te wijzen? Aphrodite ontstak in ongekende woede en vervloekte Narcissus: Hij zou voelen hoe het voelt om te voelen wat zijzelf voelde!

Narcissus struint ongemoeid verder door het bos – met de linkerhand door het haar strijkend – op zoek naar nimfenharten om te bekoren en te breken, tot hij op een rivier stuit die hij nooit eerder zag. De rivier was mooier dan alle rivieren die hij ooit zag: Het gras langs de oever van de rivier was groenen dan het gras dat hij ooit zag en de bloemen langs de oever waren kleurrijker dan hij ooit zag. In deze rivier had nooit een vis gezwommen, uit deze rivier had nooit een dier gedronken, op deze rivier was nooit een boomblad gevallen. Met prangende bewondering, doch schoorvoetend trad hij tot de oever van de rivier en zetelde aldaar neer op zijn knieën. Plengend zijn noeste dorst te lessen legde hij zijn beide handen in het water en droeg het water naar zijn mond. Nog voor hij zijn handen tot zijn mond had gebracht zag hij plots in de weerspiegeling van het heldere water een God van onweerstaanbare schoonheid. Een God met prachtige halflange bruine haren, grote bruine doordringende ogen, sterke kaaklijn, ivoren hals en atletisch postuur. Narcissus was verblind door liefde, bracht zijn bovenlichaam nader tot het water en opende zijn armen om hem te omarmen. Maar op het moment dat hij de God leek te raken viel deze uiteen en verdween uit zijn oog. Narcissus is woedend, maar deze bekoeld na enige tijd als het beeld van de God zich hersteld. Naarstig uiting te geven aan zijn liefde voor de God tracht Narcissus deze keer de God te kussen. Hij brengt zijn lippen tot juist op het water als het beeld van de God wederom plots vertroebeld en verdwijnt. Narcissus kan de afwijzing van zijn ware liefde niet accepteren en begint te schreeuwen tegen hem. Wederom vertroebeld het beeld. Nu wordt Narcissus wanhopig, hij kan het beeld niet loslaten, en begint uit onmacht te huilen. Maar de tranen van zijn verdriet vallen in het water, vertroebelen het beeld en doen de betoverende schoonheid van God voor hem verwelken. 7 dagen en 6 nachten tracht Narcissus de God te omarmen, hem te kussen, naar hem te schreeuwen en om hem te wenen, en vanuit de verte herhaalde Echo zijn weeklaag. Narcissus vergeet te eten, te drinken en te slapen, en hij takelt af. Zijn mooie halflange donkere manen vergrijzen en vallen uit, zijn bruine ogen vergrauwen en verdrinken in donkere groeven, zijn kaken tekenen zijn ingevallen wangen, zijn hals verdwijnt langzaam tussen zijn schouderbladen en zijn voorheen zo atletische postuur verloor al zijn overtuiging. Narcissus liet zijn ooit zo krachtige lichaam tegen de grond vallen en stierf.

De berg- en bosnimfen waren hem – ondanks zijn masochistische aard – goedgezind, het was tenslotte het mooiste wezen dat zij ooit hadden gezien. Zij zochten tevergeefs naar zijn lichaam om deze te cremeren, maar vonden enkel een klein bloempje met gele kern en omringd met witte blaadjes.

Hoewel de Narcis mij iedere lente intens bekoord om zijn betoverende schoonheid, wil ik meer zijn dan dat.