Een psychopaat voldoet volgens de DSM in de meeste gevallen aan het volgend profiel: egocentrisch, gebrek aan empathie en gewetenloosheid. Daarnaast een scala een criminele gedragingen zoals mishandelen, moorden en stelen.

Maar gelukkig zijn psychopaten ver weggestopt achter slot en grendel. Ver verwijderd van ons, normale mensen. Toch?
‘Het Ei’ van Jaap Fischer laat ons zien dat dat niet per se waar is.

Het ei

Nieuwer dan alles en nieuwer dan iedereen. Kleiner dan iedereen. Een balletje is wat ik ben. En dit balletje leven is al het leven dat er op dit moment is.
Gevangen gehouden in een warm paradijs, verweerd tegen macabere incidenten van buiten af.
Eeuwig doof, behalve voor de deforme geluiden, die zich als ontzuiverde levensmuziek door de hermetisch afgesloten beschermingswand knijpen.
Eeuwig wachtend, naar foton smachtend. Eeuwig nacht en eeuwig blind, behalve voor de warme rode gloed die zich nevenzins door de toch kwetsbare cocon brandt.

Ik hoor…enkel deforme geluiden die in werkelijkheid niets anders waren dan de door mijn schil gefilterde weerklanken van mijn eigen kloppen hart.
Ik zie…het kloppend hart van de zon…of kijk ik door een zacht donsdeken met een zaklamp…of mijn eigen oogleden…
Ik voel…warmte, genegenheid, volmaakte genegenheid…complete gratificatie.

Plots…schud mijn wereld op zijn grondvesten, ik kom in beweging.
De zuurstof draagt mij, terwijl het wordt voortgeduwd door de ijle en kille wind, en ik zweef.
Ik drijf, onder water. Als een vis zonder vinnen. En ik drijf en ik zweef. En ik heb het koud.

Ik kom tot stilstand. Ergens.
Ergens waar de rode gloed lichter wordt.
Ergens waar ik 1 krachtig deform geluid hoor: een monotone schreeuw, of krijs, het is niet duidelijk.
Ergens waar warmte is. Maar geen genegenheid. Dit is andere warmte, dit is vurige hitte.

Een vluchtige zwaai zwiept mij heen en weer door mijn cocon, met een knal en een kraak kom ik tot stilstand.
Er is licht…foton!
En…zuurstof. Ik adem..en ik maak geluid, ik heb een stem: pieeeeeeeeeeep!

Ik hoor het gesis en geknetter van een pan.
Ik zie vlammende vuurspetters in de rondte dansen.
Ik voel hitte. Brandende hitte.

En ik kijk tegen 2 oogballen aan. Koude en kille oogballen. Oogballen waarachter ik geen empathie zie, geen gewetenswroeging, maar een sterke puur egoïstische neiging om iets macabers met mij te doen.

En ik schreeuw het uit: ‘Stop! Dit kun je niet doen! Denk dat jou dit zou gebeuren. Wat zou jij daarvan vinden?’
De oogballen kijken mij vol afgrijzen aan…: ‘Jij bent niets dan een balletje!.
Het volgende dat ik weet is dat ik met een enorme snelheid door de ijskoude ijle wind snijd en met een dreun in de bosjes terecht kom.

En daar bivakkeer ik. Ik slaap, ik eet, ik maak dingen. En ik slaap en ik eet en ik maak dingen. En na een lange tijd maak ik iets dat mij het meeste waard is.
Het is nieuwer dan alles en dan iedereen. Een balletje is het. En dat leven is alle wat het is op dat moment.
Ik moet het sluieren met warmte en genegenheid, het verdient complete gratificatie. Dus ik zit er op en ik borg het.

Een jaar ging voorbij.
Dan…plots word ik met een vuige veeg afgesmeten van mijn waardevolste bezit, mijn mijn hartje van de zon, mijn leven.
En ik zie oogballen. Oogballen waarachter geen empathie, geen gewetenswroeging en een sterke egoïstische neiging om het iets aan te doen.
‘Stop! Dit kun je niet doen! Denk dat jou kind dit zou gebeuren. Wat zou jij vinden als dit jouw kind was?!’.
Andermaal draaien de oogballen naar mij: ‘Dit…dit is niets anders dan een balletje!’…

Er gebeurt iets met me…
Ik hoor…wat hoor ik? Een monotone schreeuw, krassend geluid, een piep. Ik hoor 1 lange monotone piep.
Ik zie…wat zie ik? Rood, een rode lap. Donker rood, dieper rood, zwart. Ik zie zwart vdoor mijn oogleden.
En ik voel…niets. Ik voel niets.

Het eerstvolgende dat ik weet ik dat ik een tak naar het ondergestel van de oogballen heb gegooid en de oogballen liggen op de grond.
En ik hoor een piep.
En ik zie zwart.
En ik voel niets.

En ik spring op de oogballen…
‘Stop! Doe het niet!’, zeggen de oogballen. ‘Denk dat dit jou…’. ‘Wat zou je doen als…’
Ik nagel mijn poten in zijn nek en spreid mijn vleugels triomfantelijk in de lucht:
‘Dit…zijn gewoon balletjes!’

…en met 2 sterke halen pik ik beide oogballen stuk. En ze spatten uiteen als een ei op de rand van een sissende pan.