Recentelijk heb ik de verhalenknop van mijn opa gevonden. Een kist aan juwelen – van oorlogsverhalen tot familielegenden – opende zich. Tussen die juwelen lag een ongepolijst pareltje verscholen. Een kippenverhaal.

Mijn opa is een stijfkop. Als opa iets wil, dan gebeurt het zo. Wanneer de mensen om hem heen en de natuurwetten tegen hem zijn, wordt hij pas echt gemotiveerd. Zo kreeg hij het voor elkaar om tijdens de brodeloze, arme oorlogsjaren de dorstige gasten van zijn cafe hun laatste centen te doneren aan de reisverzekering van huisvrouwen, zodat de huisvrouwen ieder jaar gezamenlijk een paar rondjes over de grachten konden varen. De kinderen en kleinkinderen van opa vragen opa regelmatig of ‘het nu echt zo belangrijk is om iedere thuiswedstrijd van ajax te bezoeken’. Opa’s reactie is steevast: ‘Ja, want ik wil dat en ik kan dat!’. Mijn opa is zo een stijfkop dat zijn moeder voor zijn 20e al helemaal klaar met hem was: ‘Het kwam haar tot hier!’.

Toen de tweede wereldoorlog uitbrak, werd mijn opa gesommeerd bunkers te bouwen voor de Duitsers. Je raadt al wat de reactie van mijn opa daarop was: ‘Nee, dat wil ik niet, dus het gebeurt niet!’. Op inventieve wijze kwam hij onder de dienst uit en dook onder in Den Ilp. Den Ilp is een klein lijndorp in de polder ten noord-westen van Amsterdam. De rasamsterdammer was enorm welkom, maar had het moeilijk op de kleine boerderij van de familie Bunschoten. Als tegenprestatie voor het onderdak moest mijn opa taken doen, zoals de koeien melken, de schapen scheren, de boter karnen en … de kippen verzorgen. 7 kippen waren het. Opa hield van hem en verzorgde hen met hart en ziel. Ze praatten, speelden en sliepen tezamen.

Op 5 mei eindigde de oorlog. Dat was goed. Opa was vrij om terug te gaan naar Amsterdam, naar zijn cafe, zijn ouderlijk huis. Met vreugde meld hij zijn moeder aan te telefoon ‘dat haar zoonlief terug naar huis komt’. En dat ‘hij een bruid meeneemt’. Moeder vreugd kan niet stuk. Totdat opa meld dat hij ook ‘7 kippen meeneemt’. Nu dat opa wegging uit Den Ilp, zou er niemand meer zijn die de kippen kon verzorgen, ze zouden de soep in gaan. ‘Zoonlief, we hebben geen tuin en geen ruimte voor die malle beesten. Laat die beesten!’. Maar opa is niet voor 1 gat te vangen: ‘Elke dag 7 verse eieren moeder, gratis eten in barre tijden!’. Moeder was om, de 7 kippen belandden op de vlieren die enkel toegankelijk was middels een vouwtrapje en geen ramen bevatte.

De grote verhuizing van Den Ilp naar Amsterdam had de kippen niet van de leg gebracht, maar het heeft wel een weerslag op hen gehad. Zij bleken sindsdien namelijk hun eigen eieren te eten. ‘Die kippen vreten hun eigen eien. Die beesten zijn waardeloos!’.

Maar opa hield van de kippen. Hij wilde de kippen. Dus verzon hij een oplossing: het gezin zou gewoon moeten zorgen dat er altijd iemand bij de kippen is, zodat zij de eieren kunnen oprapen voordat ze opgegeten worden. Zodoende gebeurde alles sindsdien op de zolder: moeder breidde op zolder, vader schilde aardappelen op zolder, zoonlief maakte huiswerk op zolder. Maar… ondanks de intensieve presentie, wisten de kippen de meeste van hun eieren op te eten voordat zij weggepakt werden. Ook de eigenwijze kippen waren niet voor 1 gat te vangen.

En ook niet voor 2. Opa had een nieuwe oplossing nodig, en vroeg pa Bunschoten om raad: ‘De kippen eten hun eigen eieren, wat moet ik doen?’. ‘Nou’, zegt pa ‘…dat is eenvoudig: je knipt gewoon een klein stukje van de snavels af.’.

En zo deed opa, met zijn nagelschaartje. Maar…de kippen aten nog steeds hun eigen eieren op. Opnieuw belt hij pa Bunschoten: ’Ze eten nog steeds hun eigen eieren op!’. Pa’s antwoord was: ‘misschien moet je gewoon nog een stukje van de snavels afknippen’.

En zo deed opa, met zijn nagelschaartje. Maar…de kippen aten nog steeds hun eigen eieren. De derde en laatste keer dat hij zijn schoonvader om advies vroeg, kreeg hij als antwoord: ‘Dan weet ik het ook niet zoon. Misschien moet je gewoon geen kippen op een zolder in Amsterdam houden’. Opa hield van de kippen. Hij wilde die kippen! Dus hij zetelde zichzelf neer, begon hard te peinzen en kwam tot het volgende idee: Een kersenmand, met een laag stro, een theedoek met een gat erin, en nog een laag stro. De kippen zouden hun ei door het gat naar de onderste hooilaag duwen en er nooit meer bij kunnen. Geniaal!

Dat ging een aantal goed, maar op den duur begonnen de kippen zich af te vragen waar hun eieren tot verdwenen. Ze gingen op zoek en met hoge regelmaat kwam een kip klem te zitten met zijn kop in het theedoek, met het helse gekakel ten gevolge van dien. Nu was moeder het echt zat: ‘Die kippen zijn waardeloos, ze geven ons geen eien! Het zit me nu tot hier! Het is de kippen er uit, of jij eruit!’.

Opa hield van de kippen. Opa wilde de kippen. Maar nu moest hij toch echt geen stijfkop zijn en doen wat moeders zegt. De buurman was een dierenvriend en was altijd lyrisch over opa’s kippen. Dus opa belt aan bij de buurman en biedt hem 7 kippen aan. Met vreugd neemt de buurman ze in ontvangst.

Een week later vraagt opa toch af hoe het met zijn geliefde kippen gaat. Hij belt opnieuw aan bij de buurman. Als deze de voordeur opent vraagt opa: ‘en…hoe gaat het met de kippen?’. ‘Nou…ze eten hun eigen eieren’. Mijn opa reageert adequaat: ‘Oh dat is niets. Je moet gewoon een klein stukje van de snavels afknippen!’.

Weinig geïmponeerd antwoord de buurman: ‘Heb ik al gedaan…Tot hier!’.