Gabi is 9, heeft prachtig lang wit haar tot aan haar billen en felblauwe ogen. En als ze lacht heeft ze in haar linkerwang, net onder haar oog een klein kuiltje.
Gabi is de enige dochter van mijn zus, die gescheiden is toen Gabi drie was. Omdat mijn zus als alleenstaande ouder druk is met van alles en nog wat, vroeg zij mij van de zomer om Gabi eens van school te halen en een middagje op haar te passen.
Die middag ben ik op de fiets naar het basisschooltje van Gabi gegaan. Toen ik bij het hek aankwam had Gabi mij al gezien. Haar ogen sperde wijd open en ze begon steeds harder te lopen, om mij uiteindelijk om de nek te vliegen. Maar…halverwege wordt ze getackeld door een roodharig jongetje. Het jongetje lacht ronduit en zijn vriendjes haken al gauw in. Gabi weekte zich los van de pesters en ging achterop mijn fiets zitten.
Eenmaal thuis gekomen, vraagt Gabi mij: ‘Waarom pesten kinderen?’.
Mijn antwoord dat ‘sommige kinderen zo onzeker zijn en zich zo klein voelen, dat zij anderen klein maken om zichzelf groot te voelen’ stelt haar niet gerust. Ze wordt verdrietig en raakt langzaam in paniek: ‘Ze gaan nooit ophouden! Ik kan er niets aan doen! Je moet iets doen! Ome Ed!’. Nu begon ik lichtelijk in paniek te raken: ‘Ik moet iets doen! Wat moet ik doen?’.
Ik heb toen Gabi op schoot genomen en haar het volgende verhaal verteld:

Er was eens een kip, een beetje een vreemde kip. De kip was wit en had geen veren maar donsharen. Het had 5 tenen aan elke poot en een gek loopje. De kip doolt eenzaam rond in een veel te grote ren. Ooit had zij 2 zusjes, maar die zijn beiden overleden. Het was een aandoenlijk gezicht, en ik kan het weten, ik heb het met mijn eigen ogen gezien!
Toen ik daar bij die grote ren naar de vreemde kip stond te kijken, kwam er een boer naar buiten gelopen: ‘Wat ben je daar aan het doen?’.
‘Oh, ik ben naar uw kip aan het kijken.’
‘Wat? Dat nutteloze mormel dat al een jaar geen ei heeft gelegd?!’
‘Volgens mij is zij anders best lief’
‘Nou dan neem je hem toch mee!’. De boer draaide zich om en liep terug zijn huis in.
Ik aarzelde geen moment, pakte de kip en zette hem in mijn fietsmand. Thuis, in mijn achtertuin, wonen al 6 kippen…en een haan. De nieuwe kip zou opnieuw vriendjes en vriendinnetjes kunnen maken! Ze zou weer een familie hebben en gelukkig worden! En eieren leggen!
In mijn enthousiasme heb ik het beestje zonder pardon bij de andere kippen gesmeten, en wat er toen gebeurde heug ik mij nog als de dag van gisteren. Kip 8, zoals zij vanaf dat moment heette, werd eerst door de kipoverste, en later door alle anderen aan gort gepikt. Zij was niets meer dan de 8e kip in de toom. De daaropvolgende dagen werd het alleen maar erger: kip8 werd teruggedrongen tot onder het kippenhok, en zelfs daar kreeg zij er met regelmaat nog flink van langs. Zodoende belande zij achter het kippenhok in een smalle kier tussen het hok en de schutting. Zij leed een kiponwaardig bestaan.
Wat ik ook probeerde, de opperkip en haar volgelingen zochten telkens weer kip 8 op en pikten haar stuk. Ik begon te denken dat ik er geen goed aan had gedaan om kip 8 bij de boze boer weg te halen en pardoes in mijn kippentoom te werpen. Er zat niets anders op, ik moest haar de volgende dag terug brengen naar de boze boer om haar een eenzaam maar vredig bestaan terug te geven.
Maar de volgende ochtend, toen ik met een mandje naar kip 8 liep, schetste mijn verbazing dat kip 8 onder het kippenhok zat zonder aangevallen te worden. Toen ik iets naar rechts keek werd al duidelijk waarom: Op nog geen meter afstand zat Geert de haan. Geert is behalve het toonbeeld van mannelijkheid, leiderschap en kracht, een tedere tamme klungel. Kennelijk bracht zijn uitstraling veiligheid aan kip 8. Ik besloot het nog een dagje aan te kijken. De volgende dag zat kip 8 er weer, onder het hok, met Geert ernaast, maar nu ietsje dichterbij. En de volgende dag, nog ietsje dichterbij. De dag erna nog dichterbij en de dag daarna…ertegenaan! Het duurde niet lang of de drie kinderen van Geert haakten in onder het mom: ‘als paps het ok vindt, zal het wel goed zijn!’. Nu moesten de drie moeders van de kinderen ook zwichten, en na twee weken was kip 8 opgenomen in de toom. Ze begon voorzichtig rond te lopen, mee te eten en zelfs haar eigen nestje te bouwen, en…eieren te leggen!

Dit verhaal hielp Gabi geenszins, daar haar tranen onverminderd over haar wangen biggelden. Maar nu, een half jaar later, vertelt Gabi mij blij dat ze niet meer gepest wordt, en dat ze al een paar weken smoorverliefd is op haar klasgenootje.