Een jongen zit op een bankje in het park.

Hij zit te peinzen.

Over wat hij straks gaat doen.

Over wat hij wil gaan doen.

Plots rent er een meisje langs.

Hun blikken kruizen elkaar en het meisje stopt.

Ze blijven elkaar tellen lang aankijken en er gebeurt niets.

De tijd staat stil.

‘Hoi’.

‘Hoi’.

‘Wil je zitten?’

‘Nee hoor…’

Dan staat het jongetje op en loopt naar haar toe.

Het meisje pakt zijn hand: ‘Fijn’, zegt ze.

Hij vind het ook fijn.

Abrupt laat het meisje zijn hand los.

Ze kijkt omhoog en rent weg.

‘He, kom terug! Waar ga je heen?’

Het jongetje ziet een grote rode ballon in de lucht, waar het meisje achteraan rent.

Hij rent achter haar aan, maar de achterstand is te groot. Hij is te laat vertrokken.

Zijn logica vertelt hem dat de ballon elk moment een andere kant op kan waaien.

Hij wacht op juist dat moment en schiet een steeg in zodra de ballon van richting verandert, hopende het meisje de pas af te kunnen snijden.

Het lukt, en hij ziet het meisje aan komen lopen vanuit de straat waar de steeg haaks op eindigt.

Met gespreide armen ziet hij haar tegemoet.

‘Hoi’, roept het meisje. Ze vermindert even vaart, maar rent dan door, achter de ballon aan.