Daar…boven op de heuvel, in dat eeuwenoude klooster. Daar zat die oude, ervaren, wijze monnik nog steeds te bidden. Natuurlijk at hij zo nu en dan op gezette tijden. Op exact dezelfde tijden om precies te zijn. Iedere dag stond hij om dezelfde tijd op, bad hij, at hij, bad hij, at hij en bad hij opnieuw. Tussen de bedrijven door uiteraard geen TV, geen radio, geen internet en strakke kloosterregels. Maar vooral bad hij…vanaf die berg. Voor de armen en de rijken, de onderdrukten en de onderdrukkers, de zotten en de wijzen, de zwoegers en de luien. Opdat zij allemaal dichter bij God mochten komen. Ja, hij bad harder en vaker dan al zijn huidige broeders én alle broeders die hem de afgelopen 8 eeuwen voorgingen. En net als al die broeders kwam hij nooit de berg af.

Totdat de oude monnik een droom kreeg…
Hij droomde dat hij in een enorme stad was, een prachtige stad. En het was geen gewone stad. De stad had namelijk een etage erbovenop, die net zo groot was. En op die etage nog een etage, en nog een etage, en nog een, en zelfs een vijfde etage. De oude monnik droomde dat hij zelf op de bovenste etage keihard aan het werken was. Zijn doel was eenduidig: omhoog bouwen, dichter bij God komen. Hij was er waarschijnlijk al maanden, zo niet jaren mee bezig, en de blaren op zijn handen begaven het, en de eelt barste open. Maar hoe vermoeid hij ook was, de oude monnik ging door met zijn werk: ‘Ik moet dichter bij God komen, en dit is de enige manier!’. Totdat hij zich plots heel eenzaam voelde. Hij was al zo lang alleen! Niemand die met hem samen werkte. Waar waren alle andere mensen? Beneden? ‘Nee!’, riep de monnik zichzelf toe, ‘Ik kan niet naar beneden, nooit! Dat is immers verder van God’.
Maar zijn eenzaamheid deed hem breken, en het opende de deur naar gevoelens van zinloosheid, wanhoop en leegte. De oude monnik nam zijn tranende ogen in zijn kapotte handen en daalde schoorvoetend neder.

De 4e etage was compleet verlaten, er was geen mens te zien. Of…jawel: hij zag een vreemdeling roerloos in een stoel zitten. De oude monnik liep aarzelend naar hem toe en vroeg hem: ‘Waar zijn alle mensen?’. De man keek op en antwoordde: ‘Sja…vroeger vertelden de mensen elkaar verhalen hier, maar iedereen is reeds vertrokken. Ze zijn allemaal vroeg of laat naar beneden gegaan’. ‘En jij dan…?’, vroeg de monnik aan de vreemdeling, ‘kom jij met mij mee naar boven? We moeten dichter bij God zien te komen!’. ‘Ik?! Ik blijf hier zei de vreemdeling’, voordat hij zijn hoofd liet hangen en weg keek.
‘Dan moet je het zelf weten!’, riep de monnik hem na, terwijl hij de trap afliep naar de 3e verdieping. Aldaar trof hij een vergelijkbare situatie aan: Een vreemdeling op een stoel in een verlaten stad: ‘Vroeger maakte men muziek hier, en men zong liederen en danste…sja, vroeger, voordat alle mensen naar beneden gingen’, zei de vreemdeling. Hoewel de monnik geen instemmend antwoord verwachtte, vroeg hij het toch: ‘Kom je met mij mee naar boven? We moeten dichter bij God komen!’. ‘Ik?!’, antwoordde de vreemdeling: ‘Ik blijf hier.’
En de monnik daalde af naar de derde etage, waar een vreemdeling vertelde over hoe de mensen hier vroeger spellen speelden, maar nu allemaal vertrokken waren. ‘Kom je mee naar boven?’, ‘…Dichter bij God!’. Nee, ook deze vreemdeling bleef op zijn post!
Op de tweede etage een vreemdeling die TV keek en op de eerste een vreemdeling die computerspellen aan het spelen was. Geen van hen was bereid om met de oude monnik naar boven toe te werken, om zo dichter bij God te komen.
Er zat niets anders op: de oude monnik moest naar de begane grond afdalen. Verder van van God kon hij niet geraken. Hij had nu werkelijk al zijn principes over boord gegooid.
De begane grond was een enorme stad en een prachtige stad, vol met mensen die elkaar verhalen vertelden, zongen, muziek maakten en dansten. Er waren mensen die bordspellen speelden, mensen die TV keken en mensen die achter een console computerspellen speelden.’Kan iemand mij helpen?!’, riep de oude monnik. ‘Hallo?! Ik probeer hier dichter bij God te komen! Weg van de zondes! Omhoog, richting God…We willen liefde toch?!’. Veel mensen keken om, maar niemand stemde in: ‘We hebben hier zoveel liefde als we nodig hebben’. Die stem kwam van niemand, en kon dus maar van 1 iemand zijn…hij was daar, beneden tussen d mensen.

Toen schrok de oude monnik wakker!
Hij begreep direct wat zijn onderbewuste hem probeerde duidelijk te maken. Het was iets waar hij al langer mee worstelde, maar nooit erkenning aan gegeven had. Hij kon ook niet anders, hij moest d kloosterregels nu eenmaal opvolgen. Zeker hij toch, de oudste, meest wijze en gerespecteerde monnik!
Maar dat bidden, dat eindeloze bidden, tot de blaren barstten en het eelt openbrak…dat bidden voor de armen en rijken, onderdrukkers en onderdrukten, de zotten en de wijzen, de zwoegers en de luien…en het naar boven roepen van de zogenaamd zondige mense…en dat verstoppen daar boven op die heuvel…dat ouderwetse gewoontegoed. Dat moest stoppen, besefte hij. Hij moest het anders doen. Hij moest van de heuvel af, en naar de mensen toe gaan.

Ja dat had de oude monnik beseft na zijn duidende droom. Maar het was nog niet zo makkelijk gedaan, als gezegd. Hij moest immers nog zijn broeders overtuigen van dit besef.
Eigenlijk maakte de monniken nooit gebruik van de mogelijkheid, maar zo nu en dan, zo heel af en toe, als het echt noodzakelijk was, dan lastten zij een spoedvergadering in. Zodoende liet de oude monnik de klokken luiden opdat alle broeders onmiddellijk elkaar zouden komen.
‘Broeders, vannacht had ik een droom…!’, begon de oude monnik. En hij droeg de gehele droom aan zijn broeders voor, om af te sluiten met een oproep aan hen allen: ‘Dus we kunnen niet blijven doen, wat we doen. We kunnen niet eindeloos blijven bidden. We kunnen ons niet blijven verstoppen. We kunnen niet op de heuvel blijven. We moeten naar beneden, naar de mensen toe!’.
Geenszins een daverend applaus viel hem ten dele, louter hoongelach: ‘Haha, gekke oude monnik. Je wilt breken met de kloosterregels? Dat is een goeie!’. ‘Maar, lieve broeders…wat we doen werkt toch niet?! De zondes nemen nog steeds toe. Rijken worden rijker, armen armer, onderdrukkers onderdrukken steeds meer onderdrukten…onze voorouders spraken hier 800 jaar geleden al over! Beste broeders, het water stijgt nog steeds. Dit werkt niet!’. Maar het lukte de oude monnik niet om zijn broeders te overtuigen: ‘onze voorouders hebben in heel goed overleg, op de top van deze heuvel nota bene, besloten hoe wij het zullen doen, en zo doen wij het, en zo zullen wij het blijven doen!’, concludeerde een broeder.
De oude monnik droop teleurgesteld en gefrustreerd af: ‘Prima! Zoals jullie willen’, besloot hij.

Maar het was niet prima, en het zou geenszins gebeuren zoals zij het wilden…
Toen de laatste avondklok geslagen had, de duisternis zijn intrede had gedaan en klaas vaak de ogen van alle broeders vol strooide met zand…toen…
Toen kroop de oude monnik uit zijn bed. Hij legde een stapel kussens onder de dekens en sloop stilletjes zijn vertrek uit. Vanuit de hal kroop hij door een raam naar buiten.
In het holst van deze nacht trad de oude monnik in het geniep de heuvel af, tegen alle conventies in, maar in de naam van God. Zo liet hij de veilige wereld zoals hij die kende achter zich, om neder te dalen in de mysterieuze duisternis van de zogenaamd zondige mens.