De uitnodiging

Na de korte en heftige confrontatie tussen de oude wijze monnik en de jonge journalist, gaan beiden hun eigen weg. Met een tas vol oordelen en woede gierend door de aderen keren zij terug naar waar zij vandaan kwamen.

De monnik hijst zichzelf mopperend de heuvel op, terwijl hij voortdurend zijn hoofd schud van ongeloof. Aangekomen in het klooster, wordt hij direct aangesproken door een broeder die de oude monnik hoorde mopperen over de ontmoeting met een stedeling.
‘Waar komt gij vandaan?’, vraagt de broeder terwijl hij het antwoord al weet.
De oude monnik kijkt betrapt op en antwoord: ‘Ik…ehhh…heb een ommetje gemaakt. Ja! Frisse neus gehaald, want ehhh…’
‘Beste oude wijze broeder’, zo onderbreekt zijn medebroeder hem: ‘Ik weet waar ge was: ge was tegen ons advies in naar beneden gegaan om de stadsmensen te ontmoeten. Nu hebt ge die ontmoet en het is u onwelvallig gebleken’.
‘Goed, goed!’, zegt de oude monnik: ‘Het is waar. Ik had moeten luisteren naar jullie. Die mensen zijn verschrikkelijk! Ze zitten boordevol oordelen. Ze zijn zondig tot op het bod en hebben geen respect voor onze zuivere levenswijze. Het is goed dat ik hem al snel de rug toegekeerd heb!’
‘Ho, ho!’, zegt zijn medebroeder. ‘Begrijp ik nu goed dat jullie elkaar ontmoet hebben, geruzied hebben en elkaar de rug toegekeerd hebben? Dat kunt ge niet doen, beste broeder! De beste man verdient het om een waarlijk beeld te krijgen van ons en onze levenswijze. Nodig de man uit! Hij zal een week hier verblijven en ge zult hem – niet te vergeten – een bijbel geven als gift, zodat hij onze levenswijsheid kan waarderen. Ga broeder en nodig hem uit!’
De oude wijze monnik staat nog strak van woede en heeft de grootste moeite om zijn trots opzij te zetten. Gaat hij het doen?

Ondertussen loopt de jonge journalist mopperend en vloekend terug naar zijn kantoor, alwaar hij direct begint te schrijven over de confrontatie die hij met de oude monnik heeft gehad. Hij heeft zijn jas nog niet uitgetrokken of hij zet het toetsenbord in brand met zijn razende vingers: ‘…en hij zij dat wij alles om het geld doen, en alleen aan onszelf denken, en anderen onderdrukken, en niet naar de armen luisteren, en…ze doen zelf helemaal niets om de wereld te verbeteren, behalve bidden…en…’
‘He! Dit gaat over dat oude klooster bovenop die heuvel dat je bezocht hebt, niet?’, vraagt zijn baas als die langsloopt.
‘Ja! Nou ja, ik ben er niet echt geweest. Ik heb een ontmoeting gehad met 1 van die janjurken. Vreselijk, ben gelijk weer weggelopen!’
Zijn baas reageert onaangenaam verrast: ‘Wat zeg je nou?! Je bent er niet eens geweest? En wat ben je hier aan het opschrijven? Dat is niet objectief! Je bent de arme man en zijn volk aan het afbranden. Dit is geen journalistiek! Ik heb je naar dat klooster gestuurd om de waarheid te achterhalen. Dit is niet de waarheid. Ga maar terug, bezoek het klooster, en kom terug met een echt verhaal!’.
‘Ja maar, de man was echt gemeen, en ik wil die kerel niet meer zien’, stamelt de journalist.
‘Je gaat!’, schreeuwt zijn baas. En de journalist geeft zich gewonnen.

Wederom mopperend en vloekend slentert de journalist de heuvel op, naar het klooster. Aangekomen bij de poort aarzelt hij even, en besluit dan toch om aan te kloppen…
Niemand anders dan de oude monnik opent de poortdeuren. Tot zijn verbazing ziet hij de jonge journalist staan. De journalist begint te praten: ‘Ik ehhhh…wilde toch nog eens in gesprek zeg maar, even langskomen ofzo…’
De oude monnik durft zich niet eens af te vragen wat de jonge journalist bezielt om hier terug te komen, en nodigt hem uit naar binnen te komen: ‘Welkom! Komt toch verder, we zijn zojuist begonnen om uw kamer gereed te maken.’
‘Kamer?!’, zegt journalist.
‘Jazeker, u begrijpt toch zeker wel dat ge minimaal een week in het klooster verblijft alvorens een gedegen indruk te krijgen van ons en onze levenswijze. Trekt u uw schoenen ook uit, en uw kleren?’, vraagt de monnik terwijl hij de journalist een pij aanreikt.’
De journalist is stomverbaasd: ‘Dus je wilt dat ik niet thuis slaap in mijn eigen bedje, niet mijn eigen vertrouwde ontbijt maak, niet douche in mijn eigen douche, niet eens mijn eigen kleren draag, en mijn nieuwe schoenen die ik gekocht heb van mijn zuurverdiende geld…’.
‘Wij zien hier alleen gelijk, dus er is geen noodzaak om u te onderscheiden door middel van kleding of andere zaken. En dat geld hoeft u zich ook geen zorgen om te maken, dat hebben we hier niet!’
‘Geen geld?!’, zegt de journalist: ‘Wat is dit voor poppenkast?!’
‘De telefoon en i-pad heeft u overigens ook niet nodig hier. Dat zou u veel te veel afleiden van de dingen die er echt toe doen in het leven. Ik ben overigens blijde u het volgende aan te mogen bieden: het is een boek, een voor ons zeer waardevol boek. Het is de ruggengraat van ons leven. Het staat vol met levenswijsheden. Wij willen u dit geven.’.
‘Een boek?’, vraagt de journalist terwijl hij de zojuist ontvangen gift liggende in zijn handen aanschouwt. ‘Een boek is wat ik krijg, in ruil voor mijn eigen huis en gewoonten, mijn kleding en schoenen, mijn geld, mijn telefoon en mijn i-pad?’.
‘Is het niet geweldig?’, zegt de oude monnik. ‘Ge wilt een goede indruk krijgen, dan kunt ge die krijgen’.
Wederom aarzelt de journalist heftig. Met zijn hoofd omlaag en gezicht in de plooi frommelt hij wat met zijn vingers, om dan gedecideerd zijn kin omhoog te brengen en de oude monnik duidelijk te maken dat hij…