Natuurlijk was de monnik bang, terwijl hij steeds langzamer de heuvel afdaalde. 800 jaar lang hadden zijn broeders en hij gesproken over de zondige mensen daar beneden.
En in die 800 jaar hadden zij deze mensen nooit gezien. Nu, zou de eigenwijze, nieuwsgierige oude monnik deze mensen zien, en misschien wel ontmoeten.
De monnik sloop langzaam de heuvel af, en toen hij het licht van de stad zag begon hij schichtig zijn lichaam steeds lager te duwen terwijl hij liep, totdat hij aan de rand van de stad knielend achter een bosje tot stilstand kwam. De oude monnik durfde niet verder en keek van een afstand toe hoe de mensen uit de stad leefden. Hij zat daar urenlang, tot zonsopgang…

Rond dezelfde tijd…ergens in de stad, daar leefde een jonge journalist. Hij heeft zojuist heerlijk geslapen, de douche uitgezet en een pittige kop koffie gedronken. Hij trekt zijn schoenen aan om zich klaar te maken voor zijn werk.
Vandaag is zijn werk: Het boven water krijgen van de waarheid – zoals het een journalist betaamt! Hij zou al zijn lezers nu de waarheid brengen! De waarheid over dat klooster op de top van de heuvel naast de stad.
Er gingen namelijk al eeuwen verhalen de rondte over dat klooster…
Het aangezicht van dat klooster op de heuveltop is ook allerminst uitnodigend: Die scheve toren prijkt angstwekkend door de donkere wolkenpakken hoog in de lucht. En er kwamen geregeld rare geluiden van die heuvel af. Men zei dat er geen vrouwen woonden, en de mannen werden er wel honderden jaren oud. Het moesten geesten zijn! En als er iets gebeurde in de stad – iemand of iets verdween – dan werd er gelijk naar de heuvel gekeken en naar het klooster gewezen. Iedere keer dat iets onheilspellends zich voordeed, dan kwam dat uit het klooster.

En zo ging de journalist op stap, richting de heuvel, met onder de arm geklemd het enige wat hij nodig heeft: een I-pad.
Nog voor hij daadwerkelijk de heuvel bestijgt, besluit de jonge journalist om een foto te nemen van de berg. Om de heuvel er optimaal op te krijgen, neemt hij een stapje achteruit, en nog een…en nog een, en…
Pardoes!

Het volgende dat de jonge journalist weet, is dat hij opgevouwen over een oude man heen ligt, in de bosjes.

Jonge journalist (JJ): ‘Ahh! Spoken!’
Oude Monnik (OM): ‘Zondaar!’

Beiden springen geschrokken uit elkaar, en een dialoog volgt:

OM: Ik weet wie jij bent…jij bent er zo een uit de stad. Ja ik zie het aan dat dure moderne apparaat dat je daar hebt. Ja zie je…jullie mensen willen alleen maar rijker en rijker worden, en duurdere, grotere en meer materialen aan te schaffen. En het is nooit genoeg!
JJ: Pardon? Dit is zo een beetje het enige dat ik heb. En ik heb het toevallig nodig voor mijn werk. Bovendien heb ik hard gewerkt hiervoor!
OM: Juist ja! Jullie mensen zwoegen maar en zwoegen maar, alleen maar voor jullie zelf!
JJ: Nou ja zeg! En waar zwoeg jij dan wel voor? Om er voor te zorgen dat ik straks een beter leven leid? Dacht het niet!
OM: Nou, ik spreek graag mijn zegeningen over je uit. Zelf volg ik het pad van de enige wijze, die bij altijd zal steunen. Jullie mensen luisteren alleen maar naar de rijke dwazen. Ja! de mensen met het meeste geld hebben het voor het zeggen toch?!
JJ: Ja…ehhh, min of meer. Maar ehhh…ik ben geen rijke stinkerd, maar mensen lezen wel de artikelen die ik in de bladen publiceer!
OM: Ow ja! die bladen ja…die bladen waarin jullie schrijven over wat zogenaamd de waarheid is. Ik zeg jullie: Jullie hebben geen enkel benul over het leven, over de dood of over de toekomst. Gen benul!
JJ: Ow? En jij weet wel hoe het zit?! Jij komt nooit in de echte wereld!
OM: Nou, nou, wat een wrok zeg! Daar zijn jullie ook van doordrenkt niet? Wrok!
JJ: Wrok? Ik ben boos! Jij met je oordelen.
OM: Nou ja zeg. Ik ben hier gekomen om julie God en bevrijding te brengen. Op deze manier kan ik mijn werk niet doen!
JJ: Werk?! Volgens mij doen jullie geen mallemoer!
OM: Och, nou zeg! Jij kunt wel wat normen en waarden gebruiken. Zoals ons gehoorzaamheidsprincipe!
JJ: Nou, en jullie mogen wel wat eigenwijzer worden! Doodeng, zoals jullie altijd maar precies doen wat er gevraagd wordt. Ow wat goed, oh wat goed!
OM: Wij zullen immer Gods wegen volgen, en enkel zijn wegen.
JJ: Nou weet je, wij hebben hier in de stad geasfalteerde wegen. En daar hebben wij schonen voor nodig om op te lopen. Het liefst een beetje mooie, en dat kost geld.
OM: Ja, ja…ik weet precies hoe dat gaat: mooie schoenen, mooie broer om mee te pronken en dan naar de disco en dansen en meer, en ohhh Here, redt het celibaat!
JJ: Weet je wat…Het is goed met je, oude monnik! Ik ga naar huis. Ik denk dat ik wel een goed verhaal heb om te schrijven!
OM: Ach mijn broeders hadden gelijk: Mensen zullen nooit beteren. Ik keer terug naar mijn broeders en zal hen vragen nog harder en vaker te bidden dan dat zij al deden.

En zo kon het gebeuren dat 1 van die monniken tóch ooit contact maakte met een zogenaamd zondige stedeling, en omgekeerd had een van de stedelingen dan toch echt contact gehad met 1 van die geheimzinnige monniken. Maar het was niet van lange duur. Beiden gingen hun eigen weg, om elkaar nooit meer te zien…
Was dit het laatste oordeel?